Belanghebbende werd door de Inspecteur gevraagd om aanvullende informatie te verstrekken over een Zwitserse bankrekening die niet was opgegeven in zijn belastingaangiften over 2003 tot en met 2014. De Inspecteur gaf een informatiebeschikking op grond van artikel 52a AWR nadat belanghebbende niet alle gevraagde stukken, zoals het openingsformulier, machtigingsformulier en economische gerechtigdheidsverklaring, had overgelegd.
De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor het jaar 2003 vanwege een onjuiste feitelijke grondslag omtrent de navorderingstermijn, maar handhaafde de beschikking voor de overige jaren. Het Gerechtshof corrigeerde dit oordeel en oordeelde dat de navorderingstermijn voor 2003 nog niet was verstreken vanwege verleend uitstel, waardoor de informatiebeschikking ook voor dat jaar terecht was.
Belanghebbende stelde dat de ontbrekende stukken niet meer konden worden overgelegd omdat deze waren vernietigd, maar het Hof verwierp dit omdat hij onvoldoende had aangetoond dat hij redelijkerwijs niet over de stukken kon beschikken. Het Hof stelde dat belanghebbende zich moest inspannen om de stukken alsnog bij de bank op te vragen, wat niet was gebeurd.
Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur gegrond. Belanghebbende kreeg een termijn van vier weken om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken. Er werden geen proceskosten aan de Inspecteur toegekend.