Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 13 augustus 2019
Stichting Yulius,
[geïntimeerde] ,
Het geding
Inleiding op de beoordeling van het hoger beroep
De beoordeling van het hoger beroep
grieven 1, 2 en 3van Yulius gaan er, naar blijkt uit de toelichting op de grieven, van uit dat de kantonrechter in de beslissing over het deelgeschil de argumenten die [geïntimeerde] heeft aangevoerd zonder meer onvoldoende heeft geoordeeld om aansprakelijkheid van Yulius aan te nemen. Daarom had volgens Yulius de kantonrechter in de onderhavige procedure de vorderingen aanstonds moeten afwijzen.
grievenfalen. In de beslissing over het deelgeschil valt niet enig inhoudelijk oordeel te lezen over de aansprakelijkheidsvraag.
grieven 4 tot en met 10van Yulius keren zich ertegen dat de kantonrechter in haar vonnis van 10 maart 2016, r.o. 2.21, als voorlopige conclusie heeft overwogen dat de pijnklachten van [geïntimeerde] als gerelateerd aan het ongeval kunnen worden beschouwd en in haar vonnis van 16 februari 2017, r.o. 2.13, die conclusie definitief heeft getrokken en de mogelijkheid van schade, voldoende voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, aannemelijk heeft geoordeeld. Yulius onderbouwt deze grieven aan de hand van de volgende stellingen:
2. Debruyne heeft ten onrechte aangenomen dat zich na het ongeval een hematoom heeft voorgedaan; en
3. Debruyne heeft ten onrechte neuralgieforme pijnen
doorhet ongeval aangenomen.
bewijsaanbodals niet relevant voorbijgaat. Van een voldoende gemotiveerde betwisting van de zienswijze van Debruyne is naar het oordeel van het hof op het punt van het aannemen van een hematoom dan ook geen sprake. Het hof volgt ook hier de zienswijze van Debruyne.
het ongeval
Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?”): “Dat is niet het geval” (rapport 11 maart 2014, p. 8).
Die conclusie “dat de neuralgieforme pijnklachten zijn ontstaan na het trauma en daarom als gerelateerd aan het trauma van 10 augustus 2005 zouden kunnen worden beschouwd” bevreemdt bovendien, omdat deze “zenuwpijn” volgens de heer [geïntimeerde] zelf pas is ontstaan nadat er 6 stents werden geplaatst i.v.m. de lekkage van de varicocele in juni 2006”): “Ik heb de gegevens in dit perspectief opnieuw nauwkeurig nagekeken, betrokkene hierover ondervraagd en alles nogmaals overwogen. Het is juist dat de neuralgieforme pijnklachten in volle omvang zijn ontstaan na het plaatsen van de stents in juni 2006 ter behandeling van de lekkage van de eerder geopereerde varicocele. Betrokkene is echter daarvoor nooit pijnvrij geweest. Hij heeft altijd pijn in de linker lies en de linker scrotumhelft blijven voelen. De neuralgieforme pijn was wel erger dan de initiële blijvende pijn na het trauma. Het is juist dat de varicocele geen relatie heeft met het ongeval. Het is echter als deskundige moeilijk te bevestigen noch te ontkennen dat de neuralgieforme pijn niets te maken zou hebben met het trauma. Het is immers minder waarschijnlijk of zelfs onwaarschijnlijk dat embolisatie van een varicocele (lekkage), wat via een veneuze punctie gebeurt, aanleiding geeft of kan geven tot neuralgieforme liespijn. Hierbij kan worden opgemerkt dat de volledige medische informatie rond de varicocele en de pijnklachten nu wel voorhanden is, maar geen aanvullende conclusies in de een of andere richting toelaat” (rapport 19 augustus 2014, p. 4).
grieven 4 tot en met 10van Yulius falen derhalve.
grief 11keert Yulius zich ertegen dat de kantonrechter in het al genoemde rapport van Nelemans , medisch adviseur van Yulius, geen aanleiding heeft gezien terug te komen op haar voorlopige conclusie in het vonnis van 10 maart 2016, r.o. 2.21, dat de pijnklachten als gerelateerd aan het ongeval kunnen worden beschouwd, dat de kantonrechter overlegging van dat rapport te laat heeft geoordeeld en dat Yulius dat rapport zonder enige toelichting in het geding heeft gebracht.
grief 11geen met voldoende duidelijkheid gepresenteerde gemotiveerde betwisting aan van de bevindingen van Debruyne. Het hof merkt nog wel op dat Nelemans zichzelf aanduidt als ‘arts voor arbeid & gezondheid-verzekeringsarts’ en derhalve kennelijk geen uroloog is. Dat brengt mee dat het hof reeds om die reden aan de bevindingen van Nelemans op het vakgebied van Debruyne slechts beperkte betekenis hecht. Dit is bijvoorbeeld van belang waar Yulius stelt (MvG, nr. 63) dat de kantonrechter niet zomaar voorbij had mogen gaan aan de opmerking van Nelemans (p. 18 sub h) dat ook de buikoperatie die [geïntimeerde] in 2009 onderging vanwege darmklachten die niets met het ongeval van doen hebben ‘relevant zou kunnen zijn in het ontstaan en/of voortduren van de pijn in kwestie’. Het hof vindt in deze opmerking van Nelemans geen grond om af te wijken van het oordeel van Debruyne dat hij geen relatie heeft kunnen vaststellen tussen de opgetreden darmperforatie en de hiervoor uitgevoerde operatie en de pijnklachten (rapport 19 augustus 2014, p. 7). De
(ongenummerde) griefdie Yulius in dit verband bovenaan p. 13 van de MvG formuleert, wordt derhalve verworpen.
Grief 12bestrijdt het oordeel van de kantonrechter (vonnis 10 maart 2016, r.o. 2.16) dat de bepalingen uit de Gedragscode Behandeling Letselschade, medische paragraaf, hier niet van toepassing zijn, nu die zien op een gezamenlijke expertise, waarvan in dit geval geen sprake is.
grieffaalt. De door Yulius bedoelde gedragscode richt zich blijkens de tekst daarvan (die door Yulius overigens niet is overgelegd, zodat het hof heeft moeten afgaan op hetgeen hem daaromtrent ambtshalve uit openbare bronnen bekend is) op ‘gezamenlijke medische expertises’, waarmee kennelijk gedoeld is op gezamenlijk door partijen opgedragen medische expertises en dus niet op een deskundigenbericht in opdracht van de rechter. Voor zover Yulius betoogt dat de gedragscode analoog van toepassing moet worden geacht, gaat het hof daaraan als onvoldoende onderbouwd voorbij. Welbeschouwd heeft Yulius daartoe slechts aangevoerd dat de ‘diverse beginselen die gelden voor gezamenlijke rapportages en rapportages in opdracht van de rechter overwegend in elkaar grijpen’ en dat ‘vanzelfsprekend’ niet de opvatting mag worden gevolgd dat aan een expertise in rechte minder zware eisen worden gesteld dan aan een buitengerechtelijke expertise.
grieven 13 tot en met 15komen op tegen de oordelen van de kantonrechter dat op 10 augustus 2005 één van de vier op de afdeling aanwezige personeelsleden de DDG-training niet had gevolgd, dat in zoverre in strijd is gehandeld met de richtlijn en dat Yulius hiermee niet aan haar zorgplicht heeft voldaan op het punt van de DDG-training. Volgens Yulius komt aan de omstandigheid dat één van de vier hulpverleners geen DDG-training had gevolgd geen betekenis toe, omdat er slechts twee personeelsleden aanwezig hoefden te zijn en er op 10 augustus 2005 vier personeelsleden aanwezig waren, waarvan drie ‘de facto DDG-geschoold’, zodat daaruit geen schending van de zorgplicht kan voortvloeien.
grievenfalen. Vast staat dat art. 1 van Pro de richtlijn inhoudt – voor zover hier van belang – dat iedere hulpverlener, werkzaam op een gesloten afdeling, een DDG-training dient te hebben gevolgd. Anders dan Yulius stelt, staat niet vast dat slechts twee personeelsleden aanwezig hoefden te zijn, nu dit door [geïntimeerde] is betwist en door de kantonrechter in het midden is gelaten (vonnis van 10 maart 2016, r.o. 2.25). Yulius heeft op dit punt ook geen specifiek bewijsaanbod gedaan. Wel staat vast dat de aanwezigheid van vier personeelsleden voldoende was, maar niet in te zien valt waarom bij aanwezigheid van vier personeelsleden het voorschrift van art. 1 van Pro de richtlijn niet onverkort zou gelden.
Grief 16houdt in dat de kantonrechter in het vonnis van 10 maart 2016, r.o. 2.28, ten onrechte heeft overwogen dat indien een risicotaxatie niet is opgesteld of niet ter beschikking is gesteld aan de verpleging, dit als een schending van de zorgplicht moet worden aangemerkt. De kantonrechter had niet mogen overwegen dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] ervaren was en de patiënt kende niet afdoet aan de zorgplicht, en zij had de stelling van Yulius dat een risicotaxatie in dit geval geen relevantie heeft, niet mogen verwerpen (
grief 17). Onjuist acht Yulius voorts de overweging dat de beoordeling dat [X] in de gegeven situatie op de voorgeschreven wijze heeft gereageerd anders zou kunnen uitvallen als er wel een risicotaxatie was geweest (
grief 18).
Grief 20keert zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Yulius niet aan haar zorgplicht heeft voldaan op het punt van de risicotaxatie. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
grief 16e.v. is dat zij geen risicotaxatie hoefde op te stellen omdat dit, gelet op de kennis en ervaring van [geïntimeerde] , toch geen toegevoegde waarde zou hebben en omdat [X] op 10 augustus 2005 de agressief geworden patiënt nu eenmaal op juiste wijze (“onderbiedend”) is tegemoet getreden. Daarmee voldoet Yulius evenwel, gelet op het voorgaande, niet aan de hoge eisen die moeten worden gesteld aan haar stelplicht in dit verband. Voorts gaat zij eraan voorbij dat de risicotaxatie in verband met daarin over een patiënt vermelde bijzonderheden van belang kan zijn om uit te maken of naar verwachting optreden van de verpleegkundige wel zal volstaan en of niet hulp van bijvoorbeeld de politie nodig is.
grieven 16, 17, 18 en 20falen.
grieven 21 tot en met 25betreffen de geheimhoudingsverplichting van Yulius. In de toelichting stelt Yulius voorop dat in redelijkheid niet van een GGZ-instelling mag worden verwacht dat deze ‘zomaar’ tot het overleggen van zeer gevoelige medische informatie in rechte overgaat, zonder dat daartoe toestemming van de betrokken patiënt is verkregen. Voorts vermeldt Yulius dat zij inmiddels, in 2018, door aanschrijving van de moeder en de huisarts van de patiënt heeft getracht van deze toestemming te krijgen voor overlegging van de risicotaxatie maar daarop geen reactie heeft gekregen. Het hof is dienaangaande van oordeel dat Yulius met deze pogingen, dertien jaar na dato, in deze letselschadezaak wel uitermate laat – te laat – is geweest en dat derhalve de kantonrechter met juistheid heeft overwogen dat Yulius niet alles in het werk heeft gesteld om te bewerkstelligen dat de waarheid van de door haar gestelde feiten boven water komt.
Grief 22, gericht tegen die overweging, faalt daarom.
grief 21aan de orde gestelde vraag of Yulius zich tegenover [geïntimeerde] in redelijkheid op haar geheimhoudingsplicht mag beroepen bij haar weigering om de risicotaxatie over te leggen, overweegt het hof als volgt. In deze procedure is van wezenlijk belang of Yulius, zoals zij ter afwering van de vordering van [geïntimeerde] stelt, met betrekking tot de patiënt een risicotaxatie heeft opgemaakt en aan haar werknemers, waaronder [geïntimeerde] , beschikbaar heeft gesteld. Ook als Yulius op goede gronden ervan uitgaat dat zij tegenover de patiënt verplicht is tot geheimhouding van de inhoud van de risicotaxatie en zij door overlegging daarvan haar geheimhoudingsplicht jegens de patiënt zou schenden, komt dit, als werkgever die de stelplicht – en zo nodig de bewijslast – heeft dat zij aan haar zorgplicht op grond van art. 7:658 BW Pro heeft voldaan, in haar verhouding tot [geïntimeerde] voor haar risico. Dit geldt te meer nu Yulius niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden om te bewerkstelligen dat zij de risicotaxatie mocht overleggen (vgl. hiervoor,
r.o. 38).
inhoudis van de risicotaxatie, maar slechts door het horen van getuigen en deskundigen wil bewijzen dat een risicotaxatie is opgesteld en beschikbaar gesteld en dat de inhoud niet tot de conclusie kan leiden dat Yulius is tekortgeschoten in haar zorgplicht. Doordat Yulius zo nadrukkelijk nalaat man en paard te noemen, valt niet in te zien hoe op basis daarvan op adequate wijze, rekening houdend met de processuele belangen van [geïntimeerde] , bewijs kan worden geleverd. Voor zover Yulius in MvG, nr. 158, wel beoogt bewijs van de inhoud van de risicotaxatie aan te bieden, gaat het hof daaraan voorbij omdat, zoals hiervoor in
r.o. 39 en 40overwogen, Yulius met betrekking tot die inhoud niet heeft voldaan aan haar stelplicht.
grieven 21, 23 en 24falen derhalve.
Grief 25klaagt dat de kantonrechter haar ten onrechte niet meer in de gelegenheid heeft gesteld om de rechter te verzoeken behandeling met gesloten deuren of onder geheimhouding (art. 27 t/m 29 Rv) te laten plaatsvinden. Deze
grieffaalt bij gebrek aan belang, nu Yulius in hoger beroep hierom alsnog had kunnen verzoeken maar dat niet heeft gedaan.
grieven 26 tot en met 29keren zich tegen de oordelen van de kantonrechter:
vonnis van 10 maart 2016, r.o. 2.33);
vonnis van 16 februari 2017, r.o. 2.24);
vonnis van 16 februari 2017, r.o. 2.24);
vonnis van 16 februari 2017, r.o. 2.26).
grievenfalen. In de toelichting gaat Yulius ten onrechte ervan uit dat zou vaststaan dat er meer DDG-getrainden aanwezig waren dan volgens het protocol voorgeschreven (zie hiervoor,
r.o. 31). Voorts staat weliswaar niet ter discussie dat het voorval op 10 augustus 2005 voor iedereen op de afdeling totaal onverwacht was (MvG nr. 146), maar dat laat onverlet dat indien een risicotaxatie van de patiënt voorhanden was geweest, de aanwezigen op grond van de inhoud daarvan mogelijk (beter) rekening zouden hebben gehouden met het gevaar van een plotselinge geweldsuitbarsting. Ook valt niet in te zien dat uit de omstandigheid dat het incident onverwacht plaatsvond volgt dat de patiënt ‘niet met dergelijk agressief gedrag bekend was’ of dat ‘dat hetgeen is wat in een risico-taxatie is opgenomen’ (MvG, nr. 148-149). Ook hier spreekt Yulius slechts in algemene termen en laat zij na concrete informatie te verschaffen over de risicotaxatie met betrekking tot de bij het incident betrokken patiënt, hetgeen – als gezegd – voor haar risico komt. En voorts heeft [geïntimeerde] reeds bij inleidende dagvaarding (onder 6) gesteld dat de patiënt verschillende malen op deze en andere afdelingen van Yulius was opgenomen geweest, dat hij aan schizofrenie leed en dat het in het verleden vaker was voorgekomen dat hij in een van de separeercellen geplaatst moest worden vanwege (dreigend) fysiek of verbaal geweld. In het licht van die concrete stellingen kon Yulius naar het oordeel van het hof niet volstaan met de algemene stelling dat de patiënt niet bekend was met dergelijk agressief gedrag. Het hof is van oordeel dat Yulius ook op het punt van het ontbreken van causaal verband tussen de schending van haar zorgplicht en de door [geïntimeerde] geleden schade niet heeft voldaan aan haar stelplicht (als werkgever). Aan het (niet specifieke) bewijsaanbod van Yulius (MvG nr. 165) gaat het hof dan ook voorbij.
grieven 30 tot en met 32bouwen voort op de reeds besproken grieven en zijn door Yulius ook niet voorzien van een afzonderlijke toelichting (MvG, nr. 153). Het hof zal daarom ook deze
grievenverwerpen.
vonnis van 16 februari 2017, r.o. 2.28) en voldoen deze kosten aan de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 BW Pro.
incidentele griefderhalve.
Beslissing
- beveelt partijen in persoon, als het om een rechtspersoon gaat, deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is om een schikking aan te gaan, vergezeld van hun raadslieden, voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling te verschijnen voor de meervoudige kamer in één der zalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te Den Haag op
- bepaalt dat, indien één der partijen
- bepaalt dat partijen de bescheiden waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, zullen overleggen door deze