Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellante],
[naam dochter],
[appellant],
[naam dochter],
1.Stichting Reinier Haga Groep,
[geïntimeerde sub 2],
.
Gerechtshof Den Haag
De zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag waarin de ouders van een kind aansprakelijkheid stelden tegen het ziekenhuis en betrokken artsen vanwege complicaties bij een bevalling met schouderdystocie. De ouders voerden aan dat de artsen onvoldoende zorgvuldigheid in acht hadden genomen, onder meer door onvoldoende onderzoek, het toevertrouwen van de bevalling aan een minder bekwaam arts en het niet kiezen voor een keizersnede.
Het hof stelt vast dat de medische feiten niet zijn bestreden en dat de protocollen omtrent schouderdystocie juist zijn gevolgd door de betrokken artsen. De klachtencommissie en het Regionaal Tuchtcollege concludeerden reeds dat er geen sprake was van verwijtbaar handelen. Het hof sluit zich hierbij aan en overweegt dat de volgorde van handelingen in het protocol niet dwingend is en dat het nalaten van een episiotomie niet tot aansprakelijkheid leidt.
De medische richtlijnen geven aan dat schouderdystocie een niet te voorspellen complicatie is en dat een keizersnede niet standaard geïndiceerd is ter preventie hiervan. Het hof vindt dat de ouders onvoldoende hebben onderbouwd dat er sprake was van een toerekenbare tekortkoming of dat een ander medisch handelen tot een betere uitkomst had geleid.
Daarom wordt het bestreden vonnis van de rechtbank bekrachtigd en worden de vorderingen afgewezen. De ouders worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank wegens het ontbreken van toerekenbare tekortkomingen.