Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest in kort geding van 13 augustus 2019
[appellant],
Onaki B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
I.
primair: betaling door Onaki van een bedrag van € 18.439,42 (het hof begrijpt dat het in de dagvaarding genoemde bedrag van € 18.438,42 een kennelijke typefout bevat) ter zake van achterstallig loon over de periode 15 juli 2018 tot en met 31 oktober 2018, welk bedrag aan Onaki is gefactureerd op 1 november 2018;
subsidiair: betaling door Onaki van een bedrag van € 18.439,42 ter zake van loon over de periode 15 juli 2018 tot en met 31 oktober 2018, welk bedrag aan Onaki is gefactureerd op 1 november 2018 op grond van de overeenkomst tot opdracht;
II. betaling door Onaki van een bedrag van € 21.834,00 bruto aan achterstallig loon over de maanden november 2018 tot en met maart 2019;
III. betaling door Onaki van het volledige bruto salaris van € 4.276,80, vanaf 1 april 2019 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
IV. betaling door Onaki van de wettelijke verhoging over het onder II genoemde bedrag aan achterstallig salaris;
V. betaling door Onaki van de wettelijke rente over de hiervoor gevorderde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;
VI. veroordeling van Onaki tot het, onmiddellijk na betekening van dit arrest, verstrekken van een deugdelijke loonspecificatie aan [appellant], op straffe van een dwangsom van € 150,- per dag;
VII. veroordeling van Onaki tot het, binnen 5 dagen na betekening van dit arrest, indienen van de als productie 13 overgelegde loonbelastingverklaring bij de Belastingdienst Kantoor Den Haag, op straffe van een dwangsom van € 150,- per dag;
VIII. veroordeling van Onaki in de proceskosten in beide instanties.
Beslissing
opnieuw rechtdoende in kort geding:
- veroordeelt Onaki tot het, binnen 14 dagen na betekening van dit arrest, indienen van de als productie 13 overgelegde loonbelastingverklaring bij de Belastingdienst Kantoor Den Haag, op straffe van een dwangsom van € 150,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Onaki daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 5.000,-;
- veroordeelt Onaki in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op 21 februari 2019 begroot op € 579,38 aan verschotten en € 400,- aan salaris gemachtigde;