Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.1. de onderlinge waarborgmaatschappij voor instellingen in de gezondheidszorg
2. Stichting Het Van Weel-Bethesda Ziekenhuis,
statutair gevestigd te Dirksland,
door MediRisk als derde partij opgeroepen,
hierna te noemen: het ziekenhuis,
1.[geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
- een voorschot van € 10.000,-- op 2 juni 2014;
- een voorschot van € 12.500,-- op 31 maart 2016;
- een slotbetaling van € 80.000,-- op 5 september 2016;
- de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv begroot op € 7.823,27 en MediRisk veroordeeld tot vergoeding van dat bedrag aan [geïntimeerden (in principaal appel)] ;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
- de beschikking waarvan beroep te vernietigen ten aanzien van de bepaling dat MediRisk gehouden is tot betaling van een smartengeld van € 200.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 23 februari 2010;
- de vordering van [geïntimeerden (in principaal appel)] ten aanzien van het smartengeld alsnog af te wijzen, althans deze op een zoveel lager bedrag te stellen als het hof geraden acht;
- [geïntimeerden (in principaal appel)] hoofdelijk te veroordelen om aan MediRisk € 139.451,-- terug te betalen, zijnde het bedrag dat MediRisk naar aanleiding van de beschikking van 21 maart 2017 op 3 april 2017 aan hen heeft betaald aan aanvullend smartengeld en rente, althans [geïntimeerden (in principaal appel)] hoofdelijk te veroordelen om aan MediRisk het bedrag terug te betalen dat MediRisk naar het oordeel van uw hof te veel heeft betaald aan smartengeld en rente.
- bekrachtiging van de beschikking van 21 maart 2017 in principaal appel;
- vernietiging van de beschikking in incidenteel appel voor wat betreft de bepaling dat voor vergelijking met de zaak UMC Utrecht geen plaats is;
grief 1).
grief 2);
grieven 3 tot en met 5).
grief 1 in principaal appelop tegen het oordeel van de deelgeschilrechter dat het hierbij om een
ernstigverwijt gaat (rov. 4.3 van de beschikking, eerste volzin, laatste zinsdeel). Zij stelt hiertoe - samengevat - het navolgende.
“
Een ruimte innemend proces in de nier dat bij toeval is ontdekt, dient als een potentiële maligniteit van de nier te worden beschouwd en behandeld. Wanneer deze incidentalomen direct worden behandeld kan dit bij patiënten leiden tot een langere overleving. Een watchful waiting beleid bij het incidentaloom lijkt niet gerechtvaardigd tenzij patiënt gerelateerde factoren een chirurgische ingreep niet mogelijk maken.”
nu echteen indicatie was voor een niet afwachtende houding” en dat de uroloog “om
onduidelijkeredenen niet overtuigd is geweest van het kwaadaardige karakter van de afwijking”.
Grief 1faalt dan ook. Overigens is het hof, anders dan [geïntimeerden (in principaal appel)] hebben aangevoerd, niet van oordeel dat sprake is van bewuste roekeloosheid, nu er in de stukken geen aanwijzingen zijn dat de uroloog tegen beter weten in zou hebben gehandeld en [geïntimeerden (in principaal appel)] dit verder ook niet genoegzaam hebben onderbouwd. Dat doet echter niet af aan het oordeel dat het medisch handelen van de uroloog als ernstig verwijtbaar kan worden gekwalificeerd.
Uit het voorgaande volgt tevens dat
de griefvan [geïntimeerden (in principaal appel)]
in incidenteel appel, gericht tegen het oordeel van de deelgeschilrechter dat voor een vergelijking met de zaak van het UMC Utrecht geen plaats is, niet slaagt.
Grief 2 in principaal appelslaagt dan ook.
de grieven 3 tot en met 5 in principaal appel.
€ 139.451,-- vanaf 3 april 2017, zodat het hof daar geen beslissing over hoeft te nemen. MediRisk heeft in haar memorie tevens vermeld dat zij de (eveneens door de deelgeschilrechter toegewezen) buitengerechtelijke kosten niet zal terugvorderen en dat zij in deze procedure niet vordert dat [geïntimeerden (in principaal appel)] in de proceskosten worden veroordeeld. Hiermee rekening houdend zal het hof, hoewel het principaal appel grotendeels slaagt en het incidenteel appel faalt, ermee volstaan de proceskosten in hoger beroep te compenseren als na te melden.