Uitspraak
8 juli 1992.
Hoge Raad
In deze zaak vordert een patiënt, die door een medische fout in het Academisch Medisch Centrum (AMC) besmet is met AIDS, een voorschot op immateriële schadevergoeding. De patiënt werd per vergissing met een spuit geïnjecteerd die kort daarvoor was gebruikt voor een AIDS-patiënt. De rechtbank en het hof wezen het gevorderde voorschot toe, waarbij het hof oordeelde dat de gebruikelijke bovengrens voor immateriële schadevergoeding van f 100.000 tot f 150.000 niet langer geldt.
De Hoge Raad bevestigt dat ook in kort geding een voorschot op immateriële schadevergoeding kan worden toegekend, mits sprake is van onverwijlde spoed en voldoende aannemelijkheid van de vordering. De beoordeling van de hoogte van de schadevergoeding is sterk feitelijk en aan de bodemrechter voorbehouden, maar de rechter kan ook ontwikkelingen in andere landen meewegen.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van het AMC en bevestigt dat de ernst van de fout, de psychische en sociale gevolgen voor de patiënt en de beperkte levensverwachting meewegen bij de schadebegroting. De uitspraak benadrukt dat de rechter bij de vaststelling van immateriële schadevergoeding rekening moet houden met alle relevante omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de intensiteit van het geleden verdriet.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt toekenning van een voorschot op immateriële schadevergoeding wegens besmetting met AIDS door medische fout.