Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 19 november 2019
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
€ 3.000,- en de man voorts is veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 28.820,90 wegens overbedeling en van € 907,50 ter zake van de uitgestelde bruidsgave. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kosten van de procedure zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is door de rechtbank afgewezen.
in conventiebij arrest, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, de vrouw alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren althans de vorderingen van de vrouw in alle onderdelen integraal althans gedeeltelijk af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties.
in reconventie, met wijziging van eis:
Hof) wordt beheerst door Nederlands recht;
- het appartement toe te delen aan de man voor een bedrag van MAD 247.050,- althans van MAD 342.000,- onder aftrek van een vergoedingsrecht van de man van MAD 100.000,- uit hoofde van de (aan)betaling van de man plus een door het hof vast te stellen vergoedingsrecht uit hoofde van de verbouwingskosten;
- de in de voormalige echtelijke woning achtergebleven inboedelgoederen toe te delen aan de man, zonder nadere verrekening met de vrouw;
- de inboedelgoederen in de nieuwe woning van de vrouw aan de vrouw toe te delen, zonder nadere verrekening met de man;
- toedeling van de bankrekeningen op naam van de man aan de man en toedeling van de bankrekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw, onder verrekening van de helft van het saldo op 15 december 2009 dan wel 24 maart 2011 voor zover deze bankrekeningen in de gemeenschap vallen;
- de vrouw te veroordelen op grond van art. 21 jo Pro. 843a Rv tot het geven van inzage in het verloop van alle op haar naam staande bankrekeningen over de jaren 2009 tot en met 2011 alsmede in de saldi van deze bankrekeningen op de peildatum;
- toedeling van de auto met kenteken [00-00-00] aan de man, onder verrekening van de waarde van € 1.500,- met de vrouw;
- te bepalen dat de schuld aan de moeder van de man van MAD 100.000,- in de gemeenschap valt en partijen beiden gehouden zijn tot betaling van de helft van dit bedrag, waarbij de man verrekening vordert voor het aandeel van de vrouw in deze schuld met de waarde van het appartement voor zover de man tot verrekening van die waarde met de vrouw gehouden is;
- te bepalen dat de schuld aan de broer van de man van MAD 110.000,- in de gemeenschap valt en partijen beiden gehouden zijn tot betaling van de helft van dit bedrag;
- te bepalen dat de schuld aan ANWB VISA met rekeningnummer [volgt nr.] in de gemeenschap valt en partijen beiden gehouden zijn tot betaling van de helft van het op de peildatum openstaande bedrag;
- te bepalen dat de vorderingen van de Belastingdienst met kenmerk [volgt nr.] en [volgt nr.] in de gemeenschap vallen en partijen beiden gehouden zijn tot betaling van de helft van het op de peildatum openstaande bedrag;
- te bepalen dat de schuld aan Prime Line met rekeningnummer [volgt nr.] in de gemeenschap valt en partijen beiden gehouden zijn tot betaling van de helft van het op de peildatum openstaande bedrag;
- de regresvordering van de man te stellen op een bedrag van € 17.277,56 exclusief de verschuldigde wettelijke rente (€ 6.806,70 uit hoofde van de schuld aan mevrouw [naam een] , € 5.000,- uit hoofde van de schuld aan de broer van de man, € 2.500,- uit hoofde van de schuld aan [de dochter] , € 1.000,- uit hoofde van de schuld aan [naam twee] , € 504,30 uit hoofde van de schuld aan ANWB VISA, € 927,- uit hoofde van de schuld aan de Belastingdienst, € 539,56 uit hoofde van de schuld aan Prime Line), waarbij de man verrekening vordert met de helft van de waarde van het appartement voor zover de man tot verrekening van die waarde met de vrouw gehouden is.
Grief 1heeft betrekking op rov. 4.2 van het tussenvonnis van 21 februari 2018, waarin de rechtbank op grond van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: Verdrag 1978) heeft geoordeeld dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door Marokkaans recht vanaf de huwelijkssluiting tot 12 november 2002 (art. 4 lid Pro 2, onder 2 en a jo. art. 5 Verdrag Pro 1978) en ‘in ieder geval vanaf die datum’ door Nederlands recht omdat partijen op voornoemde datum meer dan tien jaar na de huwelijkssluiting hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden (art. 7 lid Pro 2, sub 2 Verdrag 1978). Meer specifiek grieft de man tegen de vaststelling door de rechtbank dat partijen op 12 november 2002 meer dan tien jaar na de huwelijkssluiting hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Met een beroep op het door de vrouw overgelegde uittreksel uit de basisregistratie personen, stelt de man zich op het standpunt dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting op 12 november 1992 niet samenwoonden, dat de vrouw tot 5 april 1993 niet woonachtig was in Nederland en dat partijen pas op 5 april 1993 zijn gaan samenwonen aan de [adres] . Dit zou volgens de man betekenen dat het huwelijksvermogensregime van partijen pas vanaf 3 april (bedoeld zal zijn: 5 april,
Hof) 2003, dat wil zeggen tien jaar nadat partijen in Nederland zijn gaan samenwonen, wordt beheerst door Nederlands recht.
grief 2voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat het appartement te [plaatsnaam] , Marokko, in de ontbonden gemeenschap van goederen valt. De man keert zich met deze grief tegen de vaststelling van de rechtbank in rov. 4.9 van het tussenvonnis van 21 februari 2018 dat de eigendom van het appartement in Marokko is verkregen in het jaar 2005. Volgens de man blijkt uit de verkoopovereenkomst dat het appartement door hem is gekocht op 20 april 2002, waardoor dit goed buiten de gemeenschap van goederen zou vallen. In dit verband doet de man een bewijsaanbod tot het overleggen van een uittreksel uit de grondboeken uit het Marokkaanse kadaster waaruit zou moeten blijken dat de goederenrechtelijke levering van het appartement heeft plaatsgevonden in een periode waarin tussen partijen nog geen sprake was van een gemeenschap van goederen.
De begunstigde wordt eigenaar van de thans verkochte onroerende goederen vanaf de dag van inschrijving in de grondboeken (…) overeenkomstig artikelen 66 en 67 Dahir (…) van 12 augustus 1913 aangaande de registratie’) alsmede uit de door de vrouw overgelegde koopovereenkomst van 20 juli/3 augustus 2005 (‘
De koper zal eigendom zijn van het heden verkocht onroerend goed te rekenen vanaf de dag van de inschrijving van dezen in het grondregister overeenkomstig aan de artikelen 66 en 67 van het Dahir van 12 augustus 1913 op de registraties’).
Voorwaarden voor de mogelijke verkoop’ en ‘
Indien de verkoop doorgaat, zal dit geschieden onder de gewone voorwaarden, en met name onder de volgende (…)’, en blz. 2: ‘
De koper heeft aan de verkoper het bedrag van HONDERDDUIZEND Dirham (100.000 MAD) als voorschort betaald (…). Voor wat betreft het saldo van 100.000 MAD, HONDERDDUIZEND Dirham, verplicht de koper zich tot de betaling hiervan aan de verkoper op de dag van de ondertekening van de definitieve verkoopakte’). De door de vrouw overgelegde koopovereenkomst van 20 juli/3 augustus 2005 is bij notariële akte opgesteld (blz. 1: ‘
Voor [volgt naam] , Notaris te [plaatsnaam] , ondergetekende, zijn verschenen (…)’) en beoogt de eigendomsoverdracht van het appartement tot stand te brengen. Voorts stelt het hof vast dat de vrouw haar versie van de koopovereenkomst reeds bij de inleidende dagvaarding heeft overgelegd ter staving van haar stelling dat het appartement is gekocht op 20 juli 2005, dat de man de inhoud van deze koopovereenkomst en het daarop gebaseerde standpunt van de vrouw in eerste aanleg niet althans onvoldoende heeft betwist, en dat de man pas na een voor hem teleurstellende beslissing van de rechtbank, zijn versie van de koopovereenkomst in hoger beroep in het geding heeft gebracht ter staving van zijn – eveneens voor het eerst in hoger beroep ingenomen – stelling dat de koopovereenkomst niet in 2005 maar in 2002 is gesloten. Gelet op het vorenstaande, zal het hof bij de verdere beoordeling van het hoger beroep de door de vrouw in het geding gebrachte notariële koopovereenkomst tot uitgangspunt nemen.
grief 3bestrijdt de man het oordeel van de rechtbank in rov. 4.10 van het tussenvonnis van 21 februari 2018 dat tussen partijen geen afdwingbare overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de verdeling van het appartement in Marokko. De rechtbank heeft de vordering van de man, inhoudende dat het appartement in overeenstemming met de tussen partijen gesloten overeenkomst aan de dochter van partijen dient te worden overgedragen, dan ook afgewezen. Onder verwijzing naar verschillende gedingstukken voert de man in hoger beroep aan dat partijen onderling overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap van goederen, waarbij de eigendom van het appartement zou worden overgedragen aan de dochter van partijen, [de dochter] . Dit betekent volgens de man dat de rechter op grond van art. 3:185 BW Pro niet meer aan een verdeling van het appartement kan toekomen.
dat dit appartement op naam van [de dochter] wordt gesteld’. Voorts staat weliswaar vast dat partijen op 12 november 2010 met hun advocaten een viergesprek hebben gehad, maar de man is er naar het oordeel van het hof niet in geslaagd aannemelijk te maken dat partijen, zoals hij stelt, tijdens dit gesprek de afspraak omtrent het appartement nog eens hebben bevestigd. Uit de in dit verband door de man overgelegde brief van mr. Aardoom-Fuchs van 5 november 2010 blijkt slechts van een afspraakbevestiging inzake het viergesprek. Evenmin volgt het hof de man in zijn stelling dat uit het emailbericht van de vrouw aan haar advocaat van 30 november 2010 blijkt van een overeenkomst tussen partijen inzake de verdeling van het appartement, aangezien de vrouw in dit emailbericht bij haar advocaat slechts informeert naar de stand van zaken met betrekking tot haar voorstel om het appartement op naam van de dochter te laten zetten (‘(…)
ik had een bewijs van koopovereenkomst van de appartement in [plaatsnaam] ik vroeg u deze op naam van dochter te laten zetten heeft u daar aan wat gedaan(…)’). Ook de stelling van de man dat de overeenkomst tussen partijen zou volgen uit de omstandigheid dat partijen en hun dochter in december 2010 op kosten van de man naar Marokko zijn gereisd, kan het hof niet volgen omdat volgens de eigen stellingen van de man reden voor die reis was dat ‘
de vrouw zich in Marokko wilde laten behandelen’ (MvG, nr. 24).
grief 4betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van partijen heeft vastgesteld, omdat de rechtbank daarvoor diende te beschikken over een complete boedelbeschrijving met de daarbij behorende waarden per peildatum, terwijl geen van partijen een dergelijke boedelbeschrijving in het geding heeft gebracht. Vervolgens betoogt de man, kennelijk subsidiair, dat de huwelijksgoederengemeenschap op de peildatum meer omvat dan de activa en passiva waarover de rechtbank zich in de bestreden vonnissen heeft uitgelaten. Onder wijziging van zijn eis vordert de man in hoger beroep dat het hof vaststelt dat tot de gemeenschap van goederen ook behoren, aan de activakant, de inboedelgoederen in de nieuwe woning van de vrouw, bankrekeningen van de vrouw in Marokko en in Nederland, een bankrekening van de man in Nederland ( [volgt nr.] ) mits deze is geopend na 3 april 2003 dan wel na 12 november 2002, en een auto met kenteken [00-00-00] , en voorts, aan de passivakant, het debetsaldo op 16 april 2010 op de ANWB VISA Card van € 1.008,06, een schuld aan de Belastingdienst inzake kindgebonden budget 2008 en 2009 van € 1.854,- en een schuld aan Prime Line van € 1.079,12 volgens het saldo op 13 december 2011. In zijn petitum vordert de man de toedeling van deze vermogensbestanddelen aan één van partijen, al dan niet onder verrekening met de ander.
de man bekend (is) met een bankrekening van de vrouw in Marokko’. Gelet op de betwisting van deze stelling door de vrouw, zal het hof de op deze stelling gebaseerde verdelingsvordering en de inzagevordering van de man afwijzen.
Grief 5heeft betrekking op de peildatum die de rechtbank heeft gehanteerd voor de waardering van de vermogensbestanddelen die tot de gemeenschap behoren. In rov. 4.6 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018 is de rechtbank daarvoor uitgegaan van de datum van de feitelijke verdeling. De man betoogt dat op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden uitgegaan van de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen (19 december 2009) dan wel van de datum van de echtscheiding (24 maart 2011).
grief 6komt de man op tegen (de overwegingen die hebben geleid tot) de beslissing van de rechtbank in rov. 4.14 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018, om het appartement in overeenstemming met het taxatierapport van de vrouw in de verdeling te betrekken tegen een waarde van (MAD 607.500,- =) € 54.641,80. Onder verwijzing naar twee door de man ingebrachte taxatierapporten stelt de man zich in zijn grief op het standpunt dat het appartement in de verdeling dient te worden betrokken, primair, naar de waarde in 2011 van MAD 247.050,- en subsidiair, naar de waarde in 2016 van MAD 342.000,-, waarbij de man aanspraak maakt op een vergoedingsrecht uit hoofde van de investering van de man in de verbouwing van het appartement die tot een waardestijging van het appartement zou hebben geleid.
de huidige waarde’ van het appartement wordt getaxeerd op MAD 342.000,-.
€ 54.641,80. Daarmee sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank. De daarop betrekking hebbende grief van de man faalt derhalve. Voor zover de man nog aanspraak maakt op vergoedingen in verband met waardestijgende investeringen van zijn kant in het appartement, oordeelt het hof dat de man de juistheid van zijn daarop betrekking hebbende stelling – die overigens door de vrouw wordt betwist – niet althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
Grief 7keert zich tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de door de man gestelde leningen van totaal MAD 210.000,- die hij bij zijn moeder en zijn broer zou zijn aangegaan voor de financiering van het appartement in Marokko. Wat de lening van de moeder betreft heeft de rechtbank in rov. 4.17 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018 geoordeeld dat een eventuele schuld aan de moeder niet zal worden meegenomen in de verdeling, omdat – kort gezegd – niet vast is komen te staan dat er nog sprake is van een schuld aan de moeder. Wat de lening van de broer betreft heeft de rechtbank in rov. 4.18 van hetzelfde tussenvonnis geoordeeld dat zij aan deze schuld voorbij gaat omdat de stellingen van de man op dit punt onvoldoende zijn toegelicht. De man betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met deze twee leningen, waarvoor hij zich beroept op verklaringen van zijn moeder en zijn broer die door de man in eerste aanleg in het geding zijn gebracht.
(…) destijds (is) aangekocht met gelden die door de moeder van de man werden gefourneerd. Het betreft een bedrag van € 10.000,-. In 2012 is door de man uit privé middelen ook € 10.000,- betaald. De man is van oordeel dat hij een vergoedingsrecht heeft ten belope van tenminste € 20.000,- te vermeerderen met rente over die bedragen’. In zijn eerste schriftelijke reactie op de verdelingsvordering noemt de man niet de lening van zijn broer, terwijl dat, gelet op de omvang van de lening en de afhankelijkheid van de man van deze lening om het appartement te kunnen kopen, wel voor de hand had gelegen. Het hof acht het niet aannemelijk dat de man aanvankelijk is vergeten deze lening van zijn broer in zijn verweer te betrekken.
grief 8keert de man zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.25 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018 dat de man niet erin is geslaagd om te bewijzen dat hij de door hem verschuldigde uitgestelde bruidsgave reeds aan de vrouw heeft voldaan. De man voert aan dat hij gemotiveerd heeft gesteld dat hij de uitgestelde bruidsgave reeds aan de vrouw heeft betaald, namelijk door tijdens het huwelijk in 1994/1995 in Marokko gouden sieraden voor de vrouw te hebben gekocht voor een bedrag van fl. 2.000,-. Gelet op de verstreken tijd en omdat de vrouw zou beschikken over de bonnen van de aanschaf van de sieraden, is de man van mening dat de bewijslast op dit punt moet worden omgekeerd.
De bruid is geschikt voor het huwelijk en er zijn geen huwelijksbeletselen voor haar om te trouwen, middels een gezegende bruidsschat ter waarde van 7000 gulden (zegge: zeven duizend gulden), Nederlandse valuta, waarvan 5000 gulden in ontvangst genomen van voornoemde echtgenoot, door haarzelf, via haar vader, bij wijze van erkenning. Rest nog 2000 gulden door de echtgenoot te voldoen.’ Hoewel de Nederlandse vertaling van de huwelijksakte de term ‘
bruidsschat’ gebruikt, staat tussen partijen vast dat daarmee de ‘
bruidsgave’is bedoeld (‘
mahr’), dat wil zeggen de door de man ter gelegenheid van het huwelijk aan de vrouw toegezegde geldsom (zie ook art. 26 van Pro de
Mudawwanaalsmede rov. 4.21 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018). Het in de huwelijksakte genoemde bedrag van fl. 2000,- betreft een zogenaamde uitgestelde bruidsgave (vgl. art. 30
Mudawwana). De vraag die partijen verdeeld houdt is of de man de uitgestelde bruidsgave reeds heeft voldaan in de vorm van gouden sieraden die de man stelt tijdens het huwelijk voor de vrouw te hebben gekocht.
sui generis, wordt beheerst door Marokkaans recht, geldt dat voor de bewijslastverdeling ook te rade zal moeten worden gegaan bij het Marokkaanse recht. Art. 33, tweede volzin, van de
Mudawwanageeft een specifieke bewijsregel voor de uitgestelde bruidsgave: ‘
Indien beide echtgenoten van mening verschillen over de inbezitneming van de uitgestelde bruidsgave, dient de echtgenoot te bewijzen dat deze is voldaan’. Kortom, op grond van het toepasselijke Marokkaanse bewijsrecht ligt het op de weg van de man om in dit geval te bewijzen dat de door hem verschuldigde uitgestelde bruidsgave reeds is voldaan.
alle kosten van de vrouw voor zijn rekening (heeft) genomen’ (MvG, nr. 81), verliest de man uit het oog dat hij uit hoofde van het huwelijk en de hierdoor ontstane persoonlijke rechtsbetrekking tussen de echtgenoten – zowel naar Marokkaans als naar Nederlands recht – als kostwinner gehouden is om zijn echtgenote te onderhouden en de daarmee gepaard gaande ‘
kosten van de vrouw’ voor zijn rekening te nemen. De enkele omstandigheid dat de man tijdens het huwelijk heeft voldaan aan zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, vormt dan ook onvoldoende bewijs voor de stelling van de man dat hij de uitgestelde bruidsgave reeds heeft voldaan.
Grief 9ziet op de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de inboedel van de voormalige echtelijke woning van partijen. Vast staat dat deze inboedel onderdeel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. In rov. 4.36 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018 heeft de rechtbank de inboedel toegedeeld aan de man, de waarde ervan vastgesteld op € 3.000,- en beslist dat de man de helft van dit bedrag aan de vrouw dient te betalen. In hoger beroep herhaalt de man zijn standpunt uit de eerste aanleg, namelijk dat de vordering van de vrouw met betrekking tot de verdeling van de inboedel moet worden afgewezen omdat (i) primair sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van de vrouw en (ii) subsidiair de inboedel tussen partijen reeds feitelijk is verdeeld. Voorts stelt de man (iii) meer subsidiair dat de inboedel ten tijde van de verdeling geen € 3.000,- waard is en dat de dagwaarde op nihil moet worden gesteld.
Rechtsverwerking
de gemaakte afspraken op 12 november 2010, (…) de feitelijke gang van zaken en het wachten van de vrouw’ (MvG, nr. 89). Naar het oordeel van het hof heeft de man hiermee onvoldoende concrete gronden aangevoerd om een beroep op rechtsverwerking te rechtvaardigen. Daarbij komt dat het hof reeds heeft overwogen dat niet is vast komen te staan dat partijen op 12 november 2010 afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, zoals de man stelt (rov. 20 t/m 22). Voorts kan ‘
het wachten van de vrouw’ haar niet worden tegengeworpen, omdat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking (zie o.a. HR 24 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2635). Het primaire standpunt van de man faalt dan ook.
Inboedel reeds verdeeld?
grief 10bestrijdt de man de beslissing van de rechtbank dat de schulden die door de man zijn opgevoerd, bestaande uit drie geldleningen, geen schulden van de gemeenschap betreffen. Het standpunt van de man is, kort gezegd, dat deze geldleningen schulden zijn van de gemeenschap die hij na de echtscheiding heeft terugbetaald waardoor hij een regresvordering heeft op de vrouw voor de helft van de totaalsom van de geldleningen, te weten een bedrag van € 11.441,15. De rechtbank heeft de regresvordering van de man uit hoofde van de gestelde geldleningen afgewezen, omdat de man voor twee van de drie geldleningen onvoldoende heeft toegelicht dat hij werkelijk een bedrag heeft geleend (rov. 4.47 en 4.49 van het bestreden tussenvonnis van 21 februari 2018) en voor de derde geldlening niet is vast komen te staan dat de vrouw heeft getekend voor het aangaan van deze lening (rov. 2.2 van bestreden eindvonnis van 22 augustus 2018).
Mudawwana) op grond waarvan de man de bewijslast draagt van zijn stelling met betrekking tot de handtekening van de vrouw op het document van 10 november 2008.
Beslissing
- het saldo per peildatum (24 maart 2011) op bankrekening bekend onder nummer [volgt nr.] op naam van de man, wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;
- het saldo per peildatum (24 maart 2011) op bankrekening bekend onder nummer [volgt nr.] op naam van de vrouw, wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;
- de auto met kenteken [00-00-00] wordt aan de man toegedeeld, onder de verplichting om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 750,-;