Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van de meervoudige kamer van 9 december 2020
Procesverloop in hoger beroep
Procesverloop in eerste aanleg
- dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning aan [adres 1] voort te zetten gedurende zes maanden na inschrijving van de beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
- dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 6.000,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- dat de auto van het merk [merknaam] op naam van de man, zonder verrekening van de waarde daarvan, toekomt aan de vrouw;
- dat de vrouw recht heeft op de helft van de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres 2] en dat de man in dit kader nog een bedrag van
- dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Vaststaande feiten
Beoordeling van het principale en het incidentele hoger beroep
- de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en het op een later moment over te leggen convenant aan de beschikking te hechten;
- te verklaren voor recht dat de vrouw recht heeft op haar bruidsschat (bedoeld is: bruidsgave, hof) en de man te gelasten aan de vrouw haar bruidsschat (bedoeld is: bruidsgave, hof) te betalen;
- te verklaren voor recht dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting de voorwaarden A en B van de huwelijksakte getekend hebben waardoor zij tevens rechtsgeldige huwelijkse voorwaarden hebben afgesproken;
- te verklaren voor recht dat de vrouw recht heeft op de helft van het door de man tijdens het huwelijk verworven vermogen;
- een tussenbeschikking te geven en te gelasten dat de man binnen een periode die het hof redelijk acht met bewijsstukken opgave doet van zijn tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen en de waarde daarvan;
- te bepalen welk bedrag vervolgens aan de vrouw toekomt;
- kosten rechtens.
Mededeling
Partijen verschillen van mening over de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling naar Iraans recht van het vermogen dat de man tijdens het huwelijk van partijen heeft opgebouwd (verder: huwelijkse vermogen). De vrouw betoogt dat zij volgens de huwelijkse voorwaarden, als degene die de echtscheiding heeft verzocht, geen recht heeft op het huwelijkse vermogen van de man, maar dat deze bepaling van Iraans huwelijksvermogensrecht wegens strijd met de Nederlandse openbare orde buiten toepassing dient te blijven, waaruit volgens de vrouw volgt dat zij recht heeft op de helft van het huwelijkse vermogen van de man. De man verweert zich daartegen en voert onder meer aan dat, wanneer de huwelijkse voorwaarden in strijd worden verklaard met de Nederlandse openbare orde, dit tot gevolg heeft dat de huwelijkse voorwaarden in hun geheel buiten toepassing dienen te blijven, zodat teruggevallen wordt op het wettelijke stelsel van Iran van algehele scheiding van goederen.
sui generis. [3] De bruidsgave maakt derhalve geen onderdeel uit van het huwelijksvermogensregime van partijen. Dat neemt niet weg dat het hof het verzoek van de vrouw met betrekking tot de bruidsgave zal aanhouden in afwachting van de prejudiciële vraagstelling aan de Hoge Raad der Nederlanden. Het komt het hof opportuun voor op beide financiële kwesties tegelijkertijd te beslissen.
Beslissing op het principale en het incidentele hoger beroep
pro forma;