Belanghebbende exploiteerde vanaf 2009 een coffeeshop en gaf voor 2010 een belastbaar inkomen aan dat significant lager was dan de werkelijke omzet. De Inspecteur legde daarom een navorderingsaanslag op, gebaseerd op boekenonderzoek en zichtwaarnemingen in 2014 en 2015, waaruit bleek dat slechts circa 25% van de omzet werd verantwoord.
De Rechtbank had de navorderingsaanslag verminderd vanwege onvoldoende rekening houden met sluiting van andere coffeeshops in 2013. Het Gerechtshof oordeelt dat de bewijslast omgekeerd en verzwaard moet worden omdat de vereiste aangifte niet is gedaan, mede doordat belanghebbende zelfstandigenaftrek claimde terwijl hij niet aan het urencriterium voldeed.
Het Hof acht de omzetcorrectie van de Inspecteur gebaseerd op waarnemingen en extrapolatie naar 2010 niet onredelijk of willekeurig. De stelling van belanghebbende dat de steekproef niet representatief is, wordt verworpen. Het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van gronden.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de navorderingsaanslag en heffingsrente worden bevestigd. Proceskosten worden niet opnieuw toegekend omdat deze reeds in een samenhangende zaak zijn toegekend.