ECLI:NL:GHDHA:2019:381
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over kwalificatie gezamenlijke woonkamers woonzorgcentrum voor OZB-tarief
Belanghebbende, eigenaar van een woonzorgcentrum voor dementerende ouderen, stelde dat de gezamenlijke woonkamers binnen het complex als woondelen moeten worden beschouwd voor de toepassing van de onroerendezaakbelasting (OZB). De heffingsambtenaar voerde aan dat deze ruimten niet als woning konden worden aangemerkt, omdat zij een verzorgings- en sociale functie vervullen en niet de functie van een privéwoning hebben.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de gezamenlijke woonkamers geen woondelen zijn omdat zij niet dezelfde functie vervullen als een woning en een sociale en verzorgingsfunctie hebben. Het hof heeft dit oordeel heroverwogen en geoordeeld dat de wetgever in artikel 220a, lid 2, Gemeentewet de criteria "dienen tot woning" en "volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden" nevenschikkend heeft gebruikt. Hierdoor kan een onzelfstandig deel van een onroerende zaak als woondeel worden aangemerkt indien het aan één van beide criteria voldoet.
Het hof stelde vast dat bewoners niet alleen een eigen appartement hebben maar ook gebruik kunnen maken van de gezamenlijke woonkamers die bij het cluster van appartementen horen. Gelet op het gebruik en de functie van deze ruimten, dienen deze woonkamers als woondelen te worden aangemerkt. Dit leidt tot vernietiging van de aanslag OZBG en vermindering van de aanslag OZBE naar het woningentarief. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het hof vernietigt de aanslag gebruikersbelasting en vermindert de aanslag eigenarenbelasting naar het woningentarief.