ECLI:NL:GHDHA:2019:454
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de kwalificatie van werkzaamheden tussen overeenkomst van opdracht en arbeidsovereenkomst
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanaf 2012 tot februari 2016 als zelfstandige op basis van een overeenkomst van opdracht voor X B.V. had gewerkt tegen een uurtarief van € 89,30, en subsidiair dat hij voltijds in dienst was tegen cao-loon. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat tussen december 2014 en februari 2016 een arbeidsovereenkomst bestond voor 20 uur per week, en dat appellant niet had aangetoond dat hij daarnaast als zelfstandige had gewerkt.
Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende feiten heeft gesteld en onderbouwd om het bestaan van een overeenkomst van opdracht aannemelijk te maken. Er is geen (uren)administratie of facturatie overgelegd, noch bewijs van overleg met de belastingdienst over niet gedeclareerde werkzaamheden. De stellingen wijzen eerder op een managementovereenkomst, maar deze grondslag is niet gevolgd.
Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst stelt appellant in hoger beroep dat hij ook in de periode december 2014-februari 2016 als zelfstandige werkte en dat de betalingen voorschotten waren, maar dit standpunt wordt verworpen. De subsidiaire vordering op basis van een arbeidsovereenkomst wordt niet toegewezen omdat appellant dit betwist en geen feitelijke onderbouwing geeft.
De vorderingen worden afgewezen, het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van appellant af.