In deze bestuursrechtelijke zaak staat de waardering van meerdere onroerende zaken in Rotterdam centraal, waarbij belanghebbende in hoger beroep gaat tegen de vastgestelde WOZ-waarden en de vergoeding van immateriële schade.
De Rechtbank Rotterdam had in eerste aanleg de waarde van één onroerende zaak verhoogd naar €169.000 en de overige waarden gehandhaafd. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar ging hiertegen in hoger beroep.
Het Hof oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van €159.000 voor de onroerende zaak correct is vastgesteld en bevestigt de waardering van €390.000 voor een andere zaak. Het incidenteel hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard. De vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen vanwege het onzorgvuldige en inhoudelijk onverantwoorde procesgedrag van de gemachtigde van belanghebbende.
Proceskostenveroordeling wordt achterwege gelaten, maar het Hof waarschuwt belanghebbende voor diens proceshouding. De uitspraak is op 22 februari 2019 in het openbaar uitgesproken.