ECLI:NL:GHDHA:2019:745
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake onrechtmatige overheidsdaad en verjaring tegen de Staat
In deze civiele zaak vordert appellant schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige vervolging en vrijheidsberoving. Appellant was jarenlang strafrechtelijk vervolgd voor onder meer witwassen en handel in ongeregistreerde geneesmiddelen, maar werd uiteindelijk vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
De rechtbank wees de vordering af en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen vanaf de dag na de aanhouding of beslaglegging, ongeacht de latere vrijspraak. Appellant's stelling dat de verjaring pas na de vrijspraak begon, wordt verworpen. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid faalt omdat appellant tijdig had kunnen stuiten.
Verder oordeelt het hof dat de Staat niet aansprakelijk is wegens het ontbreken van onschuld ten aanzien van alle feiten, aangezien appellant slechts vrijgesproken is van de handel in geneesmiddelen, maar niet van witwassen. De vordering wordt daarom afgewezen en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige vervolging wordt afgewezen wegens verjaring en het ontbreken van volledige onschuld.