Conclusie
Nummer 19/05825
Inleiding
(i) voor het strafvorderlijk optreden heeft van de aanvang af een rechtvaardiging ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht; en
(ii) ongeacht of in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm is gehandeld, blijkt uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie en/of justitie berustte. [1]
Feiten en procesverloop
ab initioonrechtmatig wegens strijdigheid met het EVRM;
(iii) subsidiair: het égalité-beginsel is geschonden doordat [appellant ] geen schadevergoeding heeft gekregen voor de door hem in (uitleverings-)detentie doorgebrachte tijd, althans de in detentie doorgebrachte tijd die losstond van zijn verzet tegen de uitlevering, en evenmin voor de (verdere) schade die hij daardoor heeft geleden.”
De prejudiciële vragen
Het Nederlands juridisch kader
De strafvorderlijke voorzieningen
ex posten het bijbehorende criterium van de gebleken onschuld. De manier waarop de onrechtmatigheid van strafvorderlijk optreden pas achteraf wordt vastgesteld wordt veelvuldig omschreven als ongelukkig: het is vreemd dat rechtmatig optreden alsnog onrechtmatig wordt op basis van gegevens die pas later bekend worden. Daarmee ontstaat bovendien de ongewenste situatie waarbij strafvorderlijk overheidsoptreden zowel (civielrechtelijk) onrechtmatig als (strafvorderlijk) rechtmatig is. Het feit dat een rechtmatige toepassing van bevoegdheden als onrechtmatig wordt bestempeld, waarmee een verplichting tot (in beginsel) volledige schadevergoeding ontstaat, kan voorts een afschrikkend effect hebben voor politie en justitie om op te treden.
Het beoordelingskader in civiele zaken
égalité devant les charges publiquesteneinde aldus aanspraak te maken op vergoeding van onevenredig nadeel dat het normale maatschappelijke risico overstijgt ten gevolge van strafvorderlijk optreden dat op het moment van de toepassing ervan rechtmatig was. [22] De Hoge Raad wijst er in dit verband nog op dat toepassing van het égalité-beginsel slechts zou leiden tot vergoeding van onevenredig nadeel en niet tot vergoeding van - in beginsel - de volledige schade.
NJ2007/432, m.nt. Vranken (Begaclaim) een samenvattend overzicht gegeven van zijn rechtspraak over de mogelijkheden voor een gewezen verdachte om de door hem ten gevolge van strafvorderlijk optreden van politie en justitie geleden schade bij de burgerlijke rechter te vorderen. [23] De Hoge Raad stelt in dat arrest voorop dat uit zijn eerdere rechtspraak blijkt dat voor de gewezen verdachte twee mogelijkheden bestaan tot schadevergoeding in verband met strafrechtelijk optreden van politie en justitie [24] op de voet van onrechtmatige overheidsdaad:
(i) voor het strafvorderlijk optreden heeft van de aanvang af een rechtvaardiging ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht; en
(ii) ongeacht of in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm is gehandeld, blijkt uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte. [25]
NJ1995/727 overwoog de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat de verdachte is vrijgesproken van het feit waarvan hij werd verdacht daartoe onvoldoende is. In dat geval blijkt immers in de regel uit de veelal niet nader gemotiveerde einduitspraak niet dat de verdachte het feit niet heeft begaan, maar slechts dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat hij het feit heeft begaan.
ab initiorechtmatig is achteraf bezien voor onrechtmatig wordt gehouden. Op die constructie als zodanig is kritiek geleverd. [36] Los daarvan, is de toepassing van het criterium niet zonder complicaties. Voordat ik mij concentreer op de vraag naar de verenigbaarheid van het criterium met art. 6, tweede lid, EVRM, richt ik de aandacht op het criterium als zodanig. Daarbij bespreek ik enkele vragen die het criterium oproept en geef ik een impressie hoe in de praktijk met het criterium wordt omgegaan.
Uitwerking van het criterium
Toepassing van het ‘gebleken onschuld’-criterium in de feitenrechtspraak
uitspraakvan de strafrechter kan de burgerlijke rechter in voorkomende gevallen kort zijn. De constatering dat het (vrijsprekend) vonnis of arrest van de strafrechter niet is gemotiveerd [49] of dat vanwege het seponeren van de zaak geen uitspraak van de strafrechter in de beoordeling kan worden betrokken, [50] is dan afdoende. Tot een nadere motivering is de burgerlijke rechter gehouden wanneer de (vrijsprekende) uitspraak van de strafrechter wel is gemotiveerd en de gewezen verdachte uit die motivering zijn onschuld meent te kunnen afleiden. [51] De rechtbank Rotterdam overwoog in een uitspraak van 19 november 2019 dat uit het enkele feit dat de gewezen verdachte was vrijgesproken omdat er naar het oordeel van de strafrechter onvoldoende aanknopingspunten waren om wettig en overtuigend bewezen te achten dat [eiser] zich in de ten laste gelegde periode nog schuldig had gemaakt aan illegale ‘pillenhandel’ en hij daarom wegens gebrek aan bewijs daarvan moest worden vrijgesproken, niet met zich brengt dat “er daarom geen redelijke twijfel mogelijk is over zijn onschuld”. In een vonnis van 1 maart 2017 constateerde de rechtbank Den Haag dat de verdachte gemotiveerd was vrijgesproken van het witwassen van crimineel geld maar dat in de motivering van die vrijspraak tot uitdrukking was gebracht dat er wel sprake is van geweest van ‘ongebruikelijke geldstromen’, dat de verdachte ‘wisselende verklaringen over de herkomst’ van dat geld heeft afgelegd, terwijl ‘het dubieuze van de herkomst daarvan niet wordt ondersteund door (onafhankelijke) bewijsmiddelen’. De rechtbank concludeerde onder meer dat “uit een dergelijke motivering allerminst volgt dat er sprake is van gebleken onschuld”. [52]
strafdossierzijn onschuld blijkt, bevat de uitspraak van de burgerlijke rechter dikwijls uitvoeriger besprekingen van het materiaal dat in dat strafdossier aanwezig is. Daarbij komt het voor dat de burgerlijke rechter aan dat bewijsmateriaal eigen gevolgtrekkingen verbindt en/of tot eigen feitelijke vaststellingen komt. [53] Ik sta ter illustratie wat nader stil bij de volgende uitspraken.
in dubio pro reo.
Geerings/ Nederlandde aandacht. [70] In deze zaak was Geerings van bepaalde feiten vrijgesproken, die vervolgens wel mede ten grondslag werden gelegd aan de oplegging van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij ging het volgens het gerechtshof om soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestonden dat zij door de betrokkene waren begaan (art. 36e, tweede lid, (oud) Sr). De Hoge Raad achtte een dergelijke benadering niet in strijd met art. 6, tweede lid, EVRM. Het EHRM oordeelde anders. Het EHRM bracht in herinnering dat na een vrijspraak
the voicing of mere suspicionsniet langer toelaatbaar is, terwijl het oordeel van het gerechtshof zelfs verder ging: het behelsde een vaststelling van schuld na een vrijspraak en “without the applicant having been ‘found guilty according to law’”. Daarmee was art. 6, tweede lid, EVRM volgens het EHRM geschonden. De Hoge Raad verlegde vervolgens zijn koers. [71]
in dubio pro reoals aspect van het onschuldvermoeden voortvloeit dat geen kwalitatief verschil (“aucune différence qualitative”) mag bestaan tussen een vrijspraak wegens gebrek aan bewijs en een vrijspraak op basis van de geconstateerde onschuld van de betrokkene. [72] In
Allen/Verenigd Koninkrijkformuleerde de Grote Kamer van het Hof de positie van de vrijgesprokene aldus: “the presumption of innocence means that where there has been a criminal charge and criminal proceedings have ended in an acquittal, the person who was the subject of the criminal proceedings is innocent in the eyes of the law and must be treated in a manner consistent with that innocence.” [73]
De onschuldpresumptie en schadevergoeding na een vrijspraak
Sekaninaen
Rushitiwaren verzoeken tot schadevergoeding na een vrijspraak afgewezen, terwijl in de motivering tot uitdrukking was gebracht dat met de vrijspraak de verdenking niet volledig was weggenomen. In beide zaken nam het EHRM een schending van art. 6, tweede lid, EVRM aan. In zijn arrest in de zaak
Rushitioverwoog het EHRM:
Bok/Nederlanden de uitspraak van de Grote Kamer inzake
Allen/Verenigd Koninkrijkde aandacht. [85]
De Spaanse zaken
Vlieeland Boddy en Marcelo Lanni/Spanjemeermalen aangehaald. [86] Deze zaak staat evenwel in nauw verband met twee zaken waarin eerder schendingen van art. 6, tweede lid, EVRM werden aangenomen, te weten
Puig Panella/Spanjeen
Tendam/Spanje. [87] Telkens betrof het de afwijzing van een verzoek tot schadevergoeding op de voet van art. 294 van Pro de Ley Orgánica del Poder Judicial. Het eerste lid van die bepaling houdt – in de door het EHRM gebruikte Franse vertaling – in:
Tendamen
Vlieeland Boddywaren in hun strafzaak vrijgesproken. Het Spaanse Constitutioneel Hof had de veroordelende uitspraak in de strafzaak tegen
Puig Panellavernietigd omdat de bewijsvoering niet aan de eisen voldeed. [90]
niethad deelgenomen aan de strafbare feiten. Uit de motivering van de afwijzende beslissing blijkt volgens het EHRM dat het verzoek is afgewezen wegens de vermeende schuld of het gebrek aan volledige zekerheid van onschuld van de klager. Hoewel het EHRM onderkent dat deze beslissing is gebaseerd op artikel 294, eerste lid, van de genoemde wet, doet een dergelijk vereiste zonder nuances of reserveringen in de omstandigheden van dit concrete geval volgens het EHRM twijfel aan de onschuld van klager rijzen. Weliswaar is volgens het Hof in het kader van de schadevergoedingsprocedure niet van de klager gevraagd zijn onschuld te bewijzen, maar de afwijzende beslissingen van het bestuursorgaan en de gerechten zijn erop gebaseerd dat het Constitutioneel Hof de veroordelingen van de gewezen verdachte had vernietigd zonder vast te stellen dat hij aan de feiten niet had deelgenomen (par. 55). Zulke
voicing of suspicions(“l’expression de soupçons sur l’innocence”) is geoorloofd als de strafzaak is geëindigd zonder beslissing ten gronde, maar niet na een onherroepelijke vrijspraak. De door de bestuursrechter bevestigde redenering van het ministerie levert dan ook een schending van de onschuldpresumptie op (par. 57).
Tendam/Spanjekent een soortgelijk verloop. In de afwijzende beslissing op het schadevergoedingsverzoek van de vrijgesprokene merkte het ministerie op dat de verzoeker door de strafrechter niet was vrijgesproken “pour l'inexistence objective ou subjective du fait délictueux”, maar wegens het ontbreken van voldoende bewijs. Ter onderbouwing daarvan verwees het ministerie uitdrukkelijk naar het arrest van de appelrechter in de hoofdzaak en leidde daaruit af dat onvoldoende bleek dat de verdachte bij de misdrijven niet was betrokken (par. 18). Voor zover uit de EHRM-uitspraak valt af te leiden, werd het oordeel dat aan de maatstaf van art. 294 niet Pro was voldaan, aldus niet op andere omstandigheden gebaseerd dan op de inhoud van de uitspraak van de strafrechter. De bij de bestuursrechter tevergeefs aangevochten redenering van het ministerie acht het EHRM niet verenigbaar met het vermoeden van onschuld. Daartoe roept het Europese Hof allereerst in herinnering de hiervoor besproken bescherming die de vrijgesprokene van de onschuldpresumptie geniet. Daartoe behoort dat zelfs als een vrijspraak is gebaseerd op ‘het voordeel van de twijfel’ nadien geen twijfels mogen worden geuit over de schuld van de gewezen verdachte, óók niet als die twijfels hun grondslag vinden in de voor de vrijspraak gegeven motivering van de strafrechter (par. 36). Bij de beoordeling of de Spaanse autoriteiten deze grenzen te buiten zijn gegaan, stelt het EHRM samenvattend vast dat de afwijzende beslissing erop was gebaseerd dat de klager in hoger beroep was vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en dat de autoriteiten in hun onderbouwing van de afwijzing uitdrukkelijk erop wezen dat volgens de uitspraak in de strafzaak niet is komen vast te staan dat de verdachte bij het ten laste gelegde niet betrokken was. Onder verwijzing naar zijn uitspraak in
Puig Panellaherhaalt het Europese Hof vervolgens dat een zodanige redenering twijfel doet rijzen over de onschuld van de gewezen verdachte. Het EHRM is dan ook van oordeel dat deze redenering, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een vrijspraak wegens gebrek aan bewijs en een vrijspraak als gevolg van een vaststelling van “l' inexistence des faits délictueux”, de voorafgaande vrijspraak – waarvan het dictum ongeacht de motivering van de strafrechter door alle overheidsautoriteiten moet worden gerespecteerd – onvoldoende in acht neemt (par. 39). Aangezien de bestuursrechter door de beslissing van de minister te bevestigen het probleem niet had verholpen, achtte het EHRM art. 6, tweede lid, EVRM geschonden (par. 40-41).
Vlieeland Boddy en Marcelo Lanni/Spanjekan wat Vlieeland Boddy betreft na het arrest
Tendamniet verbazen. [91] Ook het verzoek tot schadevergoeding van Vlieeland Boddy wees het ministerie af op de grond dat geen sprake was van het in die bepaling bedoelde geval, aangezien de betrokkene niet was vrijgesproken op basis van ontlastend bewijs dat zijn onschuld bevestigde, maar omdat onvoldoende bewijs voor zijn betrokkenheid aanwezig was (par. 11). Het administratiefrechtelijk beroep van de klager tegen die beslissing werd ongegrond verklaard omdat volgens de bestuursrechter op grond van de jurisprudentie over art. 294 zeker Pro moet zijn dat de verdachte bij de feiten niet betrokken is (par. 12). Na dezelfde overwegingen als in
Tendam/Spanjete hebben vooropgesteld (par. 38-41), stelt het EHRM ten aanzien van
Vlieeland Boddyvast dat het ministerie art. 294 niet Pro van toepassing achtte omdat de verdachte niet is vrijgesproken op grond van bewijs dat zijn onschuld bevestigt, maar op basis van het ontbreken van voldoende bewijs van schuld. Daaraan heeft het EHRM voldoende om tot de slotsom te komen dat art. 6, tweede lid, EVRM jegens Vlieeland Boddy is geschonden (par. 49).
Bok tegen Nederland
Puig Panellaen
Tendamheeft het EHRM zich in het arrest
Bok/Nederlanduitgesproken over de toepassing van het Nederlandse ‘gebleken onschuld’-criterium na een vrijspraak. [92] In het kader van deze conclusie verdient deze zaak in het bijzonder de aandacht. Het EHRM constateerde in deze zaak geen schending van art. 6, tweede lid, EVRM. Uit het arrest kan evenwel niet de conclusie worden getrokken dat de rechtspraak zich met het ‘gebleken onschuld’-criterium in het licht van art. 6, tweede lid, EVRM in een veilige haven bevindt. Ik wijs daartoe op het volgende.
Puig Panellaen
Tendam,omdat de verdachte al overeenkomstig de strafvorderlijke regeling een tegemoetkoming had ontvangen en de verdachte ervoor koos om in aanvulling daarop van de civiele rechter schadevergoeding te vragen (par. 42). Het EHRM acht dit onderscheid beslissend. Het EHRM vervolgt met de overweging dat het in een civiele zaak normaal is dat de eiser de bewijslast draagt (par. 43). Het EHRM begrijpt de nationale rechtsgang zo dat de klager zijn schadevergoedingsvordering erop heeft gebaseerd dat nooit een redelijk vermoeden van schuld had bestaan, dus op grond (i) uit het Begaclaim-arrest dus (par. 44). Het EHRM acht niet onredelijk dat op de klager de bewijslast rust en dat de nationale rechter dient te beoordelen of de eiser daarin is geslaagd (par. 45-46). Vervolgens (par. 47) richt het EHRM zijn aandacht op rechtsoverweging 2.5 van het arrest van het gerechtshof, [93] die luidt:
concurring opinionvan López Guerra:
”
dissenterdie een schending zag, wijst op de overeenkomsten tussen de motivering van het gerechtshof in de zaak en de bewoordingen waarin de afwijzende beslissingen over schadevergoeding in
Sekanina, Puig Panellaen
Tendamwaren gegoten (par. 7-10)
:
(…) I find it very difficult to see any distinction between these remarks and those referred to in the judgments mentioned above.
Allen/Verenigd Koninkrijkheeft de Grote Kamer voor het eerst een samenvattend overzicht gegeven van zijn rechtspraak ter zake van de onschuldpresumptie, in het bijzonder nadat een strafzaak tegen de betrokkene niet in een veroordeling is geëindigd. [94] De toepassing van het door de Grote Kamer gegeven overzicht van de eerdere jurisprudentie op het in de zaak voorliggende geval laat zich moeilijk vergelijken met zaken als de onderhavige. Het betrof een enigszins atypische situatie. De gewezen verdachte was onherroepelijk veroordeeld wegens een voltooid levensdelict gepleegd tegen haar kind (‘shaken baby’). Vanwege nova was die veroordeling in een soort herzieningsprocedure vernietigd. Omdat Allen de opgelegde straf reeds had ondergaan, werd ervan afgezien de zaak opnieuw door een feitenrechter te laten behandelen. De vrijspraak die volgde, acht de Grote Kamer van het EHRM “not (…) an acquittal “on the merits” in a true sense” en daarom ziet het Europese Hof meer overeenkomsten met gevallen waarin de strafzaak was geëindigd door een
discontinuationvan de vervolging (par. 127). Daar komt een belangrijke bijzonderheid bij: de grondslag voor het verzoek tot schadevergoeding was art. 133 van Pro de Criminal Justice Act van 1988. De voorwaarden voor schadevergoeding op grond van deze bepaling komen vrijwel geheel overeen met die van art. 3 Zevende Pro Protocol bij het EVRM dat in 1984 was gesloten. Zowel het nationale wetsartikel als de verdragsbepaling stelt, zij het in enigszins uiteenlopende bewoordingen, als voorwaarde voor een recht op schadevergoeding dat buiten twijfel staat dat sprake is geweest van een ‘miscarriage of justice’. De Grote Kamer oordeelt dat art. 3 van Pro het Zevende Protocol “must be capable of being read in a manner which is compatible with Article 6 § 2” en concludeert daaruit dat de criteria van art. 133 van Pro de nationale regeling op zichzelf niet in strijd zijn met de onschuldpresumptie. Tegen deze achtergrond was het aan de nationale rechter om te beoordelen of aan het vereiste van een ‘miscarriage of justice’ was voldaan, zolang “they did not call into question the applicant’s innocence” (par. 128). De Grote Kamer benadrukt dat zij zichzelf uitsluitend voor de vraag gesteld ziet of, gelet op de taak waarvoor de nationale rechter stond en in de context van de niet ‘zuivere’ vrijspraak in herziening, de overwegingen van de nationale rechter verenigbaar waren met het vermoeden van onschuld (par. 129). Het is gegeven deze context waarin de nationale rechter diende te beslissen dat naar het oordeel van de Grote Kamer de motivering van de afwijzende beslissing op het schadevergoedingsverzoek in dit geval geen ondermijning van de vrijspraak van de klager of een met haar onschuld onverenigbare bejegening oplevert (par. 130-134).
De verenigbaarheid met art. 6, tweede lid, EVRM in de rechtspraak van de Hoge Raad
NJ1995/727 m.nt. Brunner en Alkema. De steller van het middel wilde in deze zaak met een beroep op de onschuldpresumptie de rechtsopvatting ingang doen vinden dat voorlopige hechtenis die is ondergaan ter zake van een feit waarvan de verdachte nadien wordt vrijgesproken achteraf bezien steeds en zonder meer als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Voor deze opvatting zag de Hoge Raad geen steun in art. 6, tweede lid, EVRM. Niet kan worden aanvaard dat de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen steeds voor risico komt van de Staat, in die zin dat deze jegens de voormalige verdachte steeds tot schadevergoeding zou zijn gehouden wanneer de strafvervolging om welke reden dan ook anders eindigt dan met een veroordeling, behoudens ingeval de Staat aanvoert, en indien nodig bewijst, dat de verdenking ook achteraf bezien gerechtvaardigd was of dat toepassing van de desbetreffende dwangmiddelen (mede) aan de voormalige verdachte kan worden toegerekend. Nog daargelaten in hoeverre zo een onderzoek nadat de strafzaak is geëindigd in overeenstemming valt te brengen met het beginsel als bedoeld in art. 6 lid 2 EVRM Pro, kleeft aan de opvatting het bezwaar dat zij de burgerlijke rechter ertoe zou nopen in een daarop niet toegesneden procedure vragen onder ogen te zien tot het beantwoorden waarvan bij uitstek de strafrechter is toegerust en geroepen, en die deze, in geval van vrijspraak, veelal reeds bij gewijsde heeft beantwoord. De Hoge Raad overwoog voorts dat deze bezwaren niet kleven aan de aanvaarde opvatting die meebrengt dat in beginsel, behoudens ingeval van onrechtmatigheid
ex antedan wel ingeval achteraf uit het strafdossier de onschuld van de gewezen verdachte blijkt, uitsluitend de strafrechter op de voet van art. 89 e.v. Sv beziet of grond bestaat aan hem een vergoeding toe te kennen.
NJ1999/99, m.nt. Bloembergen koos de steller van het middel een enigszins andere invalshoek. Niet zozeer het ‘gebleken onschuld’-criterium als zodanig werd aan de kaak gesteld, maar de bewijslast die in dit verband op de gewezen verdachte in de civiele procedure rust. De Hoge Raad oordeelde dat, voor zover het hof ervan was uitgegaan dat de bewijslast inderdaad op de gewezen verdachte rust, het zulks niet had gebaseerd op een vermoeden van schuld, waartegen hij tegenbewijs zou kunnen of moeten leveren, maar op de regel dat de eiser zijn stelling dat onrechtmatig is gehandeld, dient te bewijzen.
Bok/Nederland. In zijn conclusie in die zaak besprak toenmalig A-G Langemeijer de stand van de rechtspraak van het EHRM op dit punt. [96] De in de rechtspraak van de Hoge Raad gestelde eis dat de onschuld van de verdachte uit de einduitspraak in de strafzaak of anderszins uit de stukken van het strafvorderlijk onderzoek blijkt, achtte hij niet in algemene zin onverenigbaar met art. 6, tweede lid, EVRM. De essentie van het ‘gebleken onschuld’-criterium is immers dat de burgerlijke rechter zich onthoudt van een oordeel over de schuld van de gewezen verdachte aan een strafbaar feit en dit oordeel overlaat aan de strafrechter. Zolang de burgerlijke rechter zich daartoe beperkt en zich dus onthoudt van een motivering die neerkomt op schuldvaststelling of ‘the voicing of suspicions’ kan niet worden gezegd dat de burgerlijke rechter de onschuldpresumptie schendt. De rechtspraak van de Hoge Raad verlangt volgens Langemeijer evenmin dat de gewezen verdachte in de civiele procedure zijn onschuld bewijst. Ook de toepassing die het gerechtshof aan het gebleken onschuld-criterium in het concrete geval had gegeven, achtte Langemeijer met art. 6, tweede lid, EVRM in overeenstemming. De Hoge Raad deed het cassatieberoep af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. [97]
Bok/Nederland, noopt tot aanpassing van het ‘gebleken onschuld’-criterium. Plaatsvervangend P-G Langemeijer kwam opnieuw tot de slotsom dat de rechtspraak van de Hoge Raad met de EHRM-rechtspraak verenigbaar is. [98] De Hoge Raad verwierp het beroep met de verkorte overweging die aan art. 81, eerste lid, RO is ontleend. [99]
Balans
Sekanina/Oostenrijk– als in de situatie waarin de twijfels worden gebaseerd op de uitspraak van de strafrechter als zodanig, zoals in
Rushiti/Oostenrijk. De enkele uiting in de Oostenrijkse zaken dat uit de stukken respectievelijk uit de uitspraak bleek dat de verdenking van het strafbare feit met de vrijspraak niet was verdwenen, vormde een ontoelaatbare
voicing of suspicion.
de vrijspraak was gegeven wegenshet ‘niet-bestaan’ van het ten laste gelegde. De afwijzende beslissing op een schadevergoedingsverzoek die was beperkt tot de enkele constatering dat de vrijspraak niet om die reden is gegeven en dus inhield dat aan de wettelijke voorwaarde niet is voldaan, levert volgens het EHRM – ook al vloeit het criterium rechtstreeks voort uit de wet – zonder nadere nuances of voorbehouden, een verdragsschending op. Van een schending van art. 6, tweede lid, EVRM kan ook sprake zijn ingeval de rechter in de motivering van de afwijzende beslissing in dit verband geen eigen oordeel tot uitdrukking brengt maar volstaat met verwijzing naar het oordeel van de strafrechter.
Bok/Nederlandnam het EHRM weliswaar geen schending van art. 6, tweede lid, EVRM aan, maar een steun in de rug voor het ‘gebleken onschuld’-criterium is de uitspraak van het EHRM niet. [101] Het EHRM acht de in vergelijking met sommige andere uitspraken van de burgerlijke rechter tamelijk sobere toepassing van het ‘gebleken onschuld’-criterium in de zaak Bok “unfortunate” en “inappropriate”. De gronden die het EHRM ertoe brengen om in
Bok/Nederlandtoch geen schending van het verdrag aan te nemen, zijn moeilijk in verband te brengen met het algemene beoordelingskader. Daarbij lijkt het EHRM uit te gaan van een onjuiste lezing van de uitspraak van het gerechtshof door een dragende overweging te lezen als een
obiter dictum,terwijl het Europese Hof betekenis toekent aan het feit dat in de strafvorderlijke procedures al een vergoeding was toegekend en in de civiele procedure een aanvullende vergoeding werd gevorderd. De betekenis van het arrest voor de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag is in het licht van het voorafgaande gering.
voicing of suspicionsten aanzien van de onschuld van de verdachte moet vermijden. [102] Vooral dit laatste is wezenlijk beperkender dan alleen een verbod op (her)beoordeling van de strafrechtelijke schuld. Ook als een onderzoek naar hetgeen over de onschuld van de gewezen verdachte uit de stukken van het strafgeding blijkt op zichzelf niet ontoelaatbaar is, komt de vraag op hoe dat onderzoek kan worden verricht en de resultaten daarvan in een vonnis of arrest kunnen worden gepresenteerd op zodanige wijze dat in de beslissing van de burgerlijke rechter niet alleen geen schuldvaststelling ligt besloten maar ook geen suggestie is te herkennen dat de vrijgesprokene het feit waarvan hij is vrijgesproken mogelijk toch heeft begaan.
uitspraak van de strafrechterinhoudt dat de verdachte onschuldig is en de verdenking tegen hem ongefundeerd was, laat zich dat wellicht nog denken. De burgerlijke rechter kan bijvoorbeeld ermee volstaan de motivering van de strafrechter te citeren. [103] Verbindt de burgerlijke rechter aan die motivering van de strafrechter uitsluitend de consequentie dat niet aan het criterium voor een onrechtmatige daad is voldaan, dan is verdedigbaar dat hij de klippen van een ontoelaatbare uiting dat de verdenking niet is ontkracht omzeilt. Daarbij moet wel worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM, in het bijzonder die in de Spaanse zaken, blijkt dat zelfs ingeval wordt volstaan met het citeren uit de uitspraak in de strafzaak en wordt verwezen naar het toepasselijke criterium, strijd met de onschuldpresumptie kan ontstaan.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste prejudiciële vraag
Bok tegen Nederlandvormt daarvan een illustratie, hoezeer de motivering van dat arrest ook vragen oproept. Daarbij komt dat het EHRM ervan heeft blijk gegeven in sommige gevallen motiveringen die het in het licht van art. 6, tweede lid, EVRM als “inappropriate” beschouwt niet als schendingen van de verdragsbepaling aan te merken. De scherpte van de algemene overwegingen in de arresten van het EHRM wordt niet zelden gerelativeerd doordat het EHRM geen schending aanneemt op gronden die niet in die algemene overwegingen terugkeren.
Allen/Verenigd Koninkrijkheeft de Grote Kamer een samenvatting gegeven van de jurisprudentie over de onschuldpresumptie in de situatie waarin een strafzaak niet in een veroordeling is geëindigd. Een advies lijkt in zoverre geen toegevoegde waarde te hebben. Daarbij komt dat de toetsing van het EHRM plaatsvindt aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval [112] , terwijl in de eerste prejudiciële vraag het criterium als zodanig ter discussie staat. Op grond van het voorafgaande zie ik ervan af de Hoge Raad in overweging te geven aan het EHRM te verzoeken op grond van het zestiende protocol van het EVRM advies uit te brengen.
ab initioresteert. [113] Volgens het hof is de door Langemeijer voorgestane consequentie van een (gedeeltelijk) bevestigend antwoord op de eerste prejudiciële vraag evenwel niet de enige denkbare. Het hof overweegt dat het criterium met art. 6, tweede lid, EVRM wel verenigbaar zou zijn als het zo zou worden toegepast dat na een vrijspraak zonder meer wordt aangenomen dat van de onschuld van de verdachte is gebleken. Als derde mogelijkheid ziet het hof dat de Hoge Raad, al dan niet aansluitend bij de regeling die thans voorzien is in het voorontwerp van het nieuwe Wetboek van Strafvordering dan wel het égalité-beginsel, een nieuw criterium formuleert in plaats van het ‘gebleken onschuld’-criterium. [114]
ab initiogeen grond voor schadevergoeding. [118]