Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 5 maart 2019
[de vrouw] ,
[de man] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- onder 3.1 de vrouw onder meer veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 37.263,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding (16 juni 2015) tot aan de dag der algehele voldoening;
- onder 3.2 de vrouw veroordeeld tot vergoeding aan de man van de door de man na 16 juni 2015 betaalde bedragen aan rente en aflossing ter zake de bij de Rabobank afgesloten annuïteitenhypotheek met leningnummer [volgt nummer] , te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf het moment dat de man het bewuste bedrag aan de bank heeft betaald;
- onder 3.3 de vrouw veroordeeld om te bewerkstelligen dat de man binnen drie maanden na het vonnis wordt ontslagen van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de in 3.2 genoemde lening;
- onder 3.4 de vrouw veroordeeld om, totdat het ontslag van de man van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de in 3.2 genoemde lening is bewerkstelligd, het maandelijks verschuldigde bedrag aan rente en aflossing van € 439,53 en de eventuele overige kosten verbonden aan deze lening rechtstreeks aan de bank te voldoen, op straffe van een aan de man verschuldigde dwangsom van € 50,- per dag/dagdeel dat zij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 45.000,-.
het hof begrijpt: arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis, voor zover het de veroordeling van de vrouw onder 3.1, 3.2, 3.3 en 3.4 betreft te vernietigen,
het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:
het hof begrijpt: [Plaatsnaam A], de privéschuld van de vrouw van € 50.000,- is verrekend met het aan de vrouw toekomende aandeel in de meerwaarde van de woning [Plaatsnaam A] van
€ 42.366,80;
het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:
- de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 78.708,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding (16 juni 2015) tot aan de dag der algehele voldoening;
- de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van de bedragen ad € 37.475,12 en
- de man op grond van al hetgeen in de memorie van antwoord in incidenteel appel naar voren is gebracht in zijn vorderingen in het incidenteel hoger beroep bij het hof niet-ontvankelijk te verklaren, althans die vorderingen in het incidenteel hoger beroep van de man af te wijzen;
- de man te veroordelen in de kosten van de diverse onrechtmatige (derden)beslagen en de door deze beslagen veroorzaakte schade aan de vrouw te vergoeden, althans een bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het arrest van het hof tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren;
- de man te veroordelen in de kosten van het geding, althans kosten rechtens, althans een bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het arrest van het hof tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren.
Procesrechtelijk
Inleiding
Het geschil
waarde woning=€ 650.000,- minus
verkrijgingsprijs woning=€ 544.083,-) = € 42.366,80 bedraagt, zoals eveneens door de vrouw is berekend. Immers, de waarde van de woning is niet in geschil en partijen hebben in de verrekenovereenkomst onder artikel 6 de Pro verkrijgingsprijs van de woning vastgesteld op
€ 544.083,-. Dat de man thans meent dat de verkrijgingsprijs kennelijk anders moet worden berekend (randnummers 26 en 27 memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel) kan daaraan niet afdoen. De man heeft aan zijn stellingen ter zake geen concrete consequenties verbonden en heeft evenmin incidenteel appel ingesteld tegen het door de rechtbank berekende bedrag van de meerwaarde.
(‘In dat geval …. ieder voor de alsdan overeengekomen delen’) van dit contract ziet naar het oordeel van het hof louter op het geval dat de woning door partijen in gemeenschappelijke eigendom is verkregen, ieder voor dat gedeelte als bij de aankoop wordt bepaald. Als de woning eigendom is van één van partijen kunnen de onderhavige bepalingen alleen bij afzonderlijke overeenkomst van overeenkomstige toepassing worden verklaard, hetgeen in casu niet is gebeurd. Dit brengt mee dat de bepalingen onder het kopje “
EIGEN WONING“ van het samenlevingscontract niet van toepassing zijn op de nieuwe woning [Plaatsnaam B] .
€ 42.366,80. Krachtens artikel 8 van Pro die overeenkomst dient de uitbetaling daarvan bij de levering van de woning aan derden plaats te vinden en heeft de vrouw recht op vergoeding van een rente gelijk aan de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van de uitkering. Op grond van artikel 6:83 onder Pro a BW is een ingebrekestelling daarbij niet vereist.
€ 42.366,80 = € 7.633,20 aan de man dient te voldoen. Nu de verrekening krachtens artikel 6:129 lid 1 BW Pro terugwerkt tot het tijdstip, waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan - in casu 1 juli 2011 - is geen rente verschuldigd. Het hof zal overeenkomstig het vorenstaande beslissen.
Kosten beslagen
Proceskosten
Beslissing
- randnummer 3.1 voor zover dat ziet op de verrekening waardeverandering nieuwe woning [Plaatsnaam B] en de rente en aflossing lening [volgt nummer]
- randnummers 3.2 tot en met 3.4