De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het besturen van een voertuig onder invloed van cannabis met een THC-gehalte van 4,5 microgram per liter bloed, boven de wettelijke grenswaarde. Het hof hield een themazitting om richtlijnen te formuleren voor strafoplegging bij rijden onder invloed van drugs.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 15 november 2017 in Den Haag een personenauto bestuurde onder invloed van cannabis. De verdachte vertoonde gevaarlijk verkeersgedrag door hoge snelheid, onnodig rijbaanwisselen en het niet aangeven van richting. Daarnaast was er sprake van recidive met eerdere veroordelingen voor gevaarzetting.
Het hof stelde vast dat de mate van overschrijding van de THC-grenswaarde niet wetenschappelijk kan worden gekoppeld aan gevaarzetting, waardoor de strafmaat gebaseerd werd op de constatering van overschrijding, gevaarlijk verkeersgedrag en recidive. De verdachte kreeg een geldboete van €850, te vervangen door 17 dagen hechtenis bij niet-betaling, en een voorwaardelijke rijontzegging van 10 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Het hof matigde de straf vanwege persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het belang van het rijbewijs voor werk en woonbegeleiding.
Het arrest werd uitgesproken op 6 mei 2019 door het Gerechtshof Den Haag, waarbij het vonnis van de politierechter werd vernietigd en opnieuw recht werd gedaan.