Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 9 juni 2020
Recuper,
2. Extrapolant B.V.,
3. Olivebranch B.V.,
4. Interpolant B.V.,
5. Olivetree B.V.,
6. [appellant 6],
7. [appellant 7],
Arbeid Abelt Holding B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief Ihoudt in dat de rechtbank bij de feiten ook had moeten vermelden wat Recuper c.s. in eerste aanleg en in de memorie van grieven aan feiten heeft aangevoerd. Deze grief is vergeefs voorgesteld, aangezien de rechtbank zich bij de vermelding van de feiten mag beperken tot de feiten die zij voor de motivering van haar uitspraak zinvol acht en tussen partijen niet in geschil zijn.
Grief IIbestrijdt de overwegingen 4.7 tot en met 4.11, waar de rechtbank oordeelt dat de door AA Holding verstrekte gelden als een direct opeisbare geldlening moeten worden gekwalificeerd en niet als een kapitaalinjectie die in de rekening-courant van AA zou worden verrekend. Volgens Recuper c.s. hebben de vennoten in de loop van 2014 afgesproken dat er kapitaalinjecties zouden worden gedaan en dat deze via de holdingmaatschappijen zouden lopen om beslagleggingen te voorkomen. De door AA Holding betaalde bedragen zijn in de cijfers van de maatschap ook niet verwerkt als lening maar als kapitaalinjectie, nu zij volgens de registeraccountant feitelijk bezien niet als lening moeten worden bestempeld. Op basis van die cijfers zijn de loonheffingen aan de Belastingdienst betaald, waarop AA akkoord heeft gegeven. Dat de gelden de omschrijving van ‘lening’ hebben meegekregen is ongelukkig, maar het woord ‘lening’ werd ook gebruikt door andere vennoten in het geval van een kapitaalinjectie.
grief VIte behandelen, die zich keert tegen de verwerping van de in reconventie tegen AA Holding ingestelde vorderingen van Recuper en haar vennoten. Het gaat om (1) de vordering ter zake van de door Recuper ten behoeve van AA geleasede auto en (2) de vordering ter zake van de teveel betaalde voorschotten.
grief VI, voor zover deze zich keert tegen de verwerping van haar reconventionele vordering op AA Holding in verband met de gestelde vordering op AA, moet worden verworpen. Het in dit verband door AA Holding nog gedane beroep op art. 6:89 BW Pro (MvA 35) en art. 6:101 BW Pro (MvA 52) kan het hof dan ook onbesproken laten.
grief IIIbetoogt Recuper c.s. – kort gezegd – dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er geen voorschotten zijn betaald na 2014 en ten onrechte heeft geconcludeerd dat niet valt in te zien waarom het AA Holding niet vrijstond AA te liquideren zoals zij heeft gedaan en dat het verwijt aan AA Holding van onbehoorlijk bestuur of anderszins onrechtmatig handelen geen doel treft. Deze grief slaagt gedeeltelijk, aangezien in hoger beroep is gebleken dat er ook na 2014 voorschotten zijn betaald ten behoeve van AA. Voorts slaagt de grief in zoverre dat, zoals hiervoor bij de bespreking van grief VI is geoordeeld, AA Holding zich ervan bewust moet zijn geweest dat Recuper als gevolg van haar optreden (met betrekking tot de auto) in haar rechten als eigenaar van de auto zou worden aangetast en dat AA Holding als enig bestuurder en enig aandeelhouder van AA in verband daarmee aansprakelijk is jegens Recuper. Voor zover aan grief III ook ten grondslag ligt dat AA Holding als bestuurder aansprakelijk is voor het bedrag van haar gestelde vordering op AA, faalt de grief omdat die gestelde vordering op AA ook in hoger beroep onvoldoende is onderbouwd (zie hiervoor bij grief VI).
Grief IVheeft betrekking op het bedrag van € 45.461,95 tot betaling waarvan de rechtbank Recuper heeft veroordeeld en het bedrag van € 22.730,98 tot betaling waarvan de rechtbank in het verlengde daarvan Extrapolant en Olivebranch (als maten), Interpolant en Olivetree (als bestuurders), [appellant 6] en Oliver (als indirecte bestuurders) elk heeft veroordeeld.
grief IVook voor het overige worden aangehouden.
grieven V, VI en VIIzijn te beschouwen als veeggrieven. Ook van deze grieven zal de beoordeling worden aangehouden totdat Recuper c.s. gelegenheid hebben gehad voor tegenbewijs als hiervoor vermeld.
Beslissing
- stelt Recuper c.s. in de gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen omstandigheid dat aan de betalingen door AA Holding aan Recuper een geldlening tussen AA Holding en Recuper ten grondslag ligt;
- bepaalt dat, indien Recuper c.s. daartoe getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. F.R. Salomons, op
- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden oktober tot en met december van 2020, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;
- houdt iedere verdere beslissing aan.