Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 30 juni 2020
Waterski Centrum Wollebrand B.V.,
[werknemer] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [werknemer] zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering. Zij heeft het ontslag op staande voet vernietigd en WCW veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon met emolumenten vanaf 4 juli 2019, vermeerderd met de wettelijke verhoging en met wettelijke rente.
WCW heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Zij verzoekt in hoger beroep dat het hof de beschikking van de kantonrechter zal vernietigen voor zover het betreft de veroordeling van WCW tot betaling aan [werknemer] van het loon met emolumenten vanaf 4 juli 2019. Verder verzoekt WCW dat het hof voor recht zal verklaren dat het ontslag op staande voet op 4 juli 2019 rechtsgeldig is en dat WCW vanaf 4 juli 2019 niets meer aan [werknemer] verschuldigd is. Tot slot verzoekt zij veroordeling van [werknemer] tot terugbetaling van al hetgeen WCW vanaf 4 juli 2019 tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst op 7 februari 2020 heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente.
€ 7.267,40is geweest. Dit is dus tevens het bedrag dat, nog te vermeerderen met een reëel percentage aan fooiengeld, die dag (contant, via pin of anderszins) door de medewerkers moet zijn ontvangen van de klanten.
- [medewerkster 3] : omzet € 1.669,40 / ontvangen € 1.686,- => € 16,60 fooi ontvangen = 1% van de omzet;
- [medewerkster 1] : omzet € 1.300,70 / ontvangen € 1.353,30 => € 52,60 fooi ontvangen = 4% van de omzet;
- [medewerkster 4] : omzet € 270,30 / ontvangen € 286,40 => € 16,10 fooi ontvangen = 5,9% van de omzet.
€ 87,25aan fooien is ontvangen.
2,6%van de omzet.
1,24%van zijn omzet. Dit is lager dan de die dag door zijn collega’s gemiddeld gegenereerde 2,6%, maar naar het oordeel van het hof niet zo laag dat hieruit blijkt dat [werknemer] de opbrengst van de fles champagne heeft verduisterd. Sterker nog, als er van wordt uitgegaan dat [werknemer] de opbrengst van de champagne zou hebben verduisterd betekent dat dat hij feitelijk niet € 1.605,60 maar (€ 1.605,60 + € 169,- =) € 1.774,60 aan contante en pinbetalingen zou hebben ontvangen die dag. Dit zou dus betekenen dat [werknemer] geen € 19,60 maar (€ 19,60 + € 169,- =) € 188,60 aan fooi zou hebben ontvangen die dag, hetgeen neer zou komen op een (onwaarschijnlijk hoog) bedrag aan fooien van 11,9% van zijn omzet. Het hof acht dit niet aannemelijk.
€ 7.267,40. Uit de producties 7 en 8 in hoger beroep blijkt dat de gezamenlijke werknemers die op 15 juni 2019 hebben gewerkt (waaronder [werknemer] ) hebben opgegeven die dag aan inkomsten van de klanten te hebben ontvangen: een bedrag van € 1.284,75 aan contante betalingen en een bedrag van € 3.733,- aan pinbetalingen, in totaal dus € 5.017,75. Uit het kassa overzicht (productie 6 in hoger beroep) blijkt bovendien – naar het hof begrijpt – dat tevens nog een bedrag van € 350,60 is ontvangen in de vorm van een waardebon, en dat verder sprake is van een bedrag van € 1.973,90 aan uitgestelde betalingen (“op rekening”). In totaal is die dag als (al dan niet uitgestelde) betaling voor de gemaakte omzet dus een opbrengst geregistreerd/verantwoord van (€ 5.017,75 plus € 350,60 plus € 1.973,90 =) € 7.342,25.