Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 14 juli 2020 (bij vervroeging)
[appellant] , h.o.d.n. Taxibedrijf [appellant]
Rotterdamse Taxi Centrale RTC B.V.,
Het geding
Beoordeling
b. [appellant] heeft sinds 14 januari 2004 een eenmanszaak met als activiteit taxivervoer.
c. [appellant] is aandeelhouder van RTC. Daarnaast is hij als taxichauffeur verbonden aan RTC. Partijen hebben in dit verband diverse overeenkomsten gesloten. Op grond van de chauffeursovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van RTC en verder uitvoeringsvoorschriften en reglementen van toepassing.
d. In de periode van maart 2014 tot maart 2018 heeft [appellant] via Blue Mobility zakelijke ritten voor RTC gereden.
e. Naar aanleiding van een klacht van Blue Mobility over [appellant] heeft RTC hem bij besluit van 1 april 2016 geschorst. Deze schorsing is op 12 april 2016 opgeheven. Naar aanleiding van een klacht van Mammoet Schiedam over [appellant] heeft RTC hem bij besluit van 4 oktober 2017 geschorst voor de duur van drie dagen.
Naar aanleiding van een klacht van een Valysklant in december 2017 heeft RTC bij besluit van 23 januari 2018 [appellant] uitgesloten voor ritten van Valys.
f. RTC heeft sinds begin 2018 een exclusief label voor zakelijk vervoer, genaamd Bizdrive Business Taxi Rotterdam (hierna: Bizdrive), in plaats van zakelijk vervoer via Blue Mobility. Bij besluit van 27 februari 2018 heeft RTC het verzoek van [appellant] om deel te nemen aan Bizdrive afgewezen. [appellant] heeft in kort geding gevorderd dat hij wordt toegelaten tot Bizdrive. Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2018 is de vordering van [appellant] afgewezen.
g. Naar aanleiding van een klacht van een klant (een UWV-rit) heeft RTC bij besluit van 27 november 2018 [appellant] voor drie dagen geschorst. Nadat een hoorzitting had plaatsgevonden, heeft de klachtencommissie het bezwaar van [appellant] tegen dit besluit ongegrond bevonden.
h. Met ingang van 1 februari 2020 is [appellant] toegelaten tot Bizdrive.
- te verklaren voor recht dat RTC in haar beslissingen van 1 april 2016, 4 oktober 2017, 23 januari 2018 en 27 februari 2018 onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld;
- deze beslissingen schriftelijk in te trekken, althans te vernietigen, en dit schriftelijk aan [appellant] te bevestigen op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- RTC te veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 7.342,24, met rente;
- RTC te veroordelen tot vergoeding van vervolgschade door de schorsing ten aanzien van Bizdrive vanaf 1 mei 2018 totdat die schorsing ongedaan is gemaakt.
Besluit 1 april 2016 (Blue Mobility): rov. 4.10-4.16Niet RTC maar Blue Mobility heeft op 1 april 2016 besloten [appellant] niet meer in te delen op ritten van Blue Mobility totdat terugkoppeling aan haar zou worden gegeven naar aanleiding van een klacht van een klant over [appellant] . De klachtcoördinator van RTC, [klachtencoördinator] , heeft onderzoek verricht naar de klacht en, na [appellant] te hebben gehoord, aan Blue Mobility verzocht [appellant] weer in te zetten. Niet valt in te zien dat onrechtmatig jegens [appellant] is gehandeld, laat staan door RTC.
Besluit 4 oktober 2017 (Mammoet Schiedam): rov. 4.17-4.23Uit de klacht van Mammoet Schiedam en het door [appellant] in de dagvaarding gestelde volgt dat [appellant] op hoge toon verhaal is gaan halen bij de receptie van Mammoet Schiedam, omdat hij naar zijn mening onbeschoft werd behandeld toen hij voor de slagboom stond om toegelaten te worden tot het bedrijfsterrein. RTC heeft zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat de handelwijze van [appellant] in strijd is met de wijze waarop hij zich dient te gedragen als taxichauffeur. Voorafgaand aan de schorsing is [appellant] gehoord. Ook in het kader van de heroverweging van het besluit na bezwaar van [appellant] is voldoende gelegenheid geboden voor hoor en wederhoor. Maar ook indien RTC op procedureel onjuiste wijze tot het schorsingsbesluit zou zijn gekomen, zou zij alleen dan voor de door [appellant] gestelde schade aansprakelijk zijn indien zou komen vast te staan dat RTC bij een juiste procedure niet tot schorsing zou zijn overgegaan en daarvoor is geen grond.
Besluit 23 januari 2018 (Valys): rov. 4.24-4.28Naar aanleiding van een klacht van een klant van Valys is [appellant] tijdelijk uitgesloten van ritten voor Transvision wat betreft Valys. Ook naar aanleiding van deze klacht heeft hoor en wederhoor plaatsgevonden. Gesteld noch gebleken is dat tegen het besluit bezwaar is gemaakt. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom het besluit onrechtmatig zou zijn, terwijl hij ter zitting heeft betoogd dat hij geen Valysritten wil uitvoeren en hij hierop al vier jaar heeft aangedrongen, omdat hij zich aan klanten van Valys ergert.
Besluit 27 februari 2018 (Bizdrive): rov. 4.29-4.30Anders dan [appellant] stelt, betreft dit geen schorsingsbesluit maar een afwijzing voor deelname van [appellant] aan Bizdrive. De kantonrechter verwijst naar het kortgedingvonnis van 28 juni 2018. Evenals de voorzieningenrechter ziet de kantonrechter geen grond voor het oordeel dat RTC onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door hem (voor 2018) deelname aan Bizdrive te ontzeggen.
- te verklaren voor recht dat RTC in haar beslissingen van 1 april 2016, 4 oktober 2017, 23 januari 2018, 27 februari 2018 en/of 21 november 2018 onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld;
- deze beslissingen schriftelijk in te trekken, althans te vernietigen, en dit schriftelijk aan [appellant] te bevestigen op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- RTC te veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 29.584,27, met rente;
- RTC te veroordelen tot vergoeding van vervolgschade door weigering van deelname door [appellant] aan van Bizdrive en uitsluiting van Valys totdat hij (weer) wordt toegelaten tot Bizdrive respectievelijk Valys;
- te bepalen dat RTC [appellant] dient toe te laten tot ritten voor Valys en/of Bizdrive op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- RTC te veroordelen tot vergoeding van het omzetverlies, althans de schade die [appellant] lijdt zolang hij niet is toegelaten voor Valys en/of Bizdrive;
- RTC te veroordelen tot terugbetaling van de door [appellant] onverschuldigd betaalde contributie over de jaren 2018 en 2019 van € 3.900,-- per jaar met rente en te bepalen dat [appellant] geen dan wel een lager bedrag aan contributie verschuldigd is zolang hij niet is toegelaten voor Valys en/of Bizdrive;
- RTC te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan RTC heeft voldaan, met rente;
- RTC te veroordelen in de kosten van beide instanties, met nakosten;
- RTC te veroordelen tot teruggave van de ingenomen geheugenkaart van [appellant] op straffe van verbeurte van een dwangsom.
RTC heeft tegen deze eiswijzing geen bezwaar gemaakt, zodat het hof uitgaat van de eis, zoals in hoger beroep gewijzigd.
heeft bij pleidooi gesteld dat zijn schade wegens omzetderving inmiddels € 33.496,-- bedraagt. Voor zover hij zijn eis in dit opzicht nog bij pleidooi heeft willen vermeerderen, geldt dat dit vanwege de twee-conclusieregel in hoger beroep niet mogelijk is.
Daargelaten dat deze grief niet tegen een dragende overweging is gericht en reeds daarom niet tot toewijzing van de vorderingen kan leiden, gaat deze uit van een verkeerde lezing van de overweging. Deze overweging moet, gelet op het woord ‘altijd’, aldus worden begrepen dat aansluiting bij RTC geen garantie tot inschakeling als taxichauffeur inhoudt, maar slechts een inspanningsverbintenis voor RTC. Dit is ook neergelegd in artikel 3.5 van de algemene voorwaarden van RTC, waarnaar [appellant] in zijn memorie van grieven onder 86 verwijst. Dit neemt niet weg dat RTC taxiritten op een eerlijke manier tussen de aangesloten taxichauffeurs moet verdelen, maar gesteld noch gebleken is dat hiervan geen sprake is geweest. Naar door partijen ter zitting is toegelicht, worden ritten evenredig over de aangesloten chauffeurs verdeeld en worden taxiritten toegewezen op basis van de volgorde (positie) waarin taxichauffeurs zich in een bepaalde sector aanmelden voor een nieuwe rit. taxichauffeur
Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis en kan om die reden niet toe toewijzing van het gevorderde leiden. Het hof zal bij de beoordeling van de door RTC genomen besluiten en jegens [appellant] getroffen maatregelen die in deze procedure aan de orde zijn (grieven 4 tot en met 7) de toepasselijke procedurele voorschriften betrekken.
de beslissing van 23 januari 2018, lijkt ook [appellant] zelf hiervan uit te gaan. Wat daarvan zij, de strafmaatregel is in ieder geval gehandhaafd nadat op die dag het gesprek met mr. Den Besten had plaatsgevonden. [appellant] heeft erkend dat hij meer klachten heeft van Valysklanten. Alleen de onderhavige klacht heeft tot schorsing geleid op de grond dat [appellant] zich ‘onbeschoft’ heeft gedragen. [appellant] heeft de toedracht van het voorval dat tot deze klacht leidde niet gemotiveerd betwist. Hij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de klacht ongegrond is. Nu [appellant] verder heeft gesteld dat hij Valysklanten in het algemeen vervelend vindt – ter zitting van het hof heeft hij opgemerkt dat het vaak gaat om oude mensen die in de war zijn, dat ze hem lastig vallen met (persoonlijke) vragen en hem afleiden en dat de meeste klachten tegen hem zijn ingediend door Valysklanten – terwijl hij ter comparitie bij de kantonrechter heeft verklaard dat hij RTC al eerder had laten weten geen Valysritten meer te willen rijden en het vier jaar heeft geduurd voor hij van deze ritten af was gehaald, valt ook niet in te zien dat hij als gevolg van deze geclausuleerde schorsing nadeel heeft ondervonden. De schorsing betreft immers alleen Valysritten. In het licht van deze omstandigheden kan het hof [appellant] dan ook niet volgen in zijn betoog dat de klacht redelijkerwijs geen aanleiding had kunnen zijn hem voor onbepaalde tijd uit te sluiten van Valysritten en dat hij door die door hem zelf gewenste uitsluiting voor vergoeding vatbare schade heeft geleden. Deze grief is dus ongegrond.
Verder heeft RTC betwist dat de geheugenkaart in de taxi eigendom is van [appellant] . Zij heeft aangevoerd dat [appellant] van haar reeds een vervangend exemplaar heeft ontvangen, zodat de vordering van [appellant] tot teruggave van deze kaart onbegrijpelijk is. Bij pleidooi in hoger beroep heeft RTC nog gereageerd op door [appellant] overgelegde facturen betreffende de overname door hem van apparatuur in de taxi ter onderbouwing van zijn stelling dat de geheugenkaart zijn eigendom is. Volgens RTC wordt de geheugenkaart gebruikt in de apparatuur en is de geheugenkaart zelf geen onderdeel van de apparatuur.
De stelling van [appellant] dat RTC bij de afhandeling van de klacht in strijd met haar (procedure)voorschriften heeft gehandeld, heeft hij, gelet op de gemotiveerde betwisting door RTC, onvoldoende onderbouwd. [appellant] heeft de door hem gemaakte geluidsopname van zijn gesprek met de klachtencoördinator op 22 november 2018, dan wel een transcriptie daarvan, niet in het geding gebracht. Hij heeft ook geen bewijsaanbod gedaan. In het licht hiervan wordt zijn stelling dat RTC in dit verband onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld verworpen.
Gelet op het verweer van RTC tegen de vordering tot teruggave van de geheugenkaart, heeft [appellant] zijn stelling dat hij niettemin eigenaar daarvan is geworden onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Deze vordering zal daarom worden afgewezen. Opgemerkt wordt nog dat bij pleidooi namens RTC – onweersproken – is verklaard dat [appellant] de geheugenkaart kan komen ophalen als hij dit zou willen. In het licht daarvan heeft [appellant] onvoldoende toegelicht welk belang hij (nog) bij deze vordering heeft.