Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer rechtbank : C/09/581959 / KG ZA 19-1022
Gerechtshof Den Haag
Het geschil betreft een vordering van [appellant], lid van een wijkvereniging, tot afgifte van handtekeningenlijsten behorende bij een brief aan het bestuur van de vereniging. Deze brief bevatte klachten van leden over het gedrag van [appellant]. Hij vorderde inzage om de opstellers aansprakelijk te kunnen stellen voor immateriële schade.
De voorzieningenrechter wees de vordering af omdat de verkeerde partij was gedagvaard en onvoldoende spoedeisend belang bestond. In hoger beroep handhaafde het hof dit oordeel. Het hof overwoog dat de bestuurders niet verplicht zijn de gevorderde bescheiden te verstrekken omdat [appellant] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden had gesteld die een onrechtmatige daad aannemelijk maken.
Daarnaast was niet aannemelijk dat de brief onjuiste uitingen bevatte, mede omdat [appellant] zelf erkende dat de genoemde feiten juist waren. Ook was onvoldoende aannemelijk dat hij reputatieschade had geleden door de brief, mede omdat het bestuur hoor en wederhoor had toegepast.
Het hof concludeerde dat [appellant] geen rechtmatig belang heeft bij de afgifte van de gevorderde documenten, waardoor zijn vordering niet toewijsbaar is. Het bestreden vonnis werd bekrachtigd en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen wegens ontbreken van rechtmatig belang bij de gevorderde afgifte van documenten.