Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer hoofdzaak : 200/273.814/02
Gerechtshof Den Haag
De verzoeker heeft bij schriftelijk verzoek van 25 mei 2020 een wrakingsverzoek ingediend tegen de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam, bestaande uit drie raadsheren, die het wrakingsverzoek in de hoofdzaak zouden behandelen. Dit verzoek werd door het hof Amsterdam verwezen naar de wrakingskamer van het hof Den Haag.
De wrakingskamer van Den Haag heeft het verzoek schriftelijk behandeld zonder mondelinge behandeling, omdat de raadsheren wier wraking werd verzocht zich niet wensten te laten horen. Het verzoek betrof de stelling dat de wrakingskamer van Amsterdam in strijd met het wrakingsprotocol en artikel 6 EVRM Pro had gehandeld door het wrakingsverzoek buiten zitting schriftelijk af te doen, wat volgens de verzoeker tot nietigheid zou leiden.
De wrakingskamer van Den Haag overwoog dat het wrakingsverzoek niet voldeed aan de motiveringseis, omdat niet was toegelicht waarom het handelen van de wrakingskamer zou leiden tot een vooringenomenheid. Ook werd het bezwaar tegen de vermeende incompleetheid van het wrakingsdossier verworpen, omdat de relevante stukken volledig waren verstrekt.
Daarom werd het wrakingsverzoek buiten behandeling gesteld en is deze beslissing aan partijen toegezonden.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is buiten behandeling gesteld wegens onvoldoende motivering.