Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Procesverloop in hoger beroep
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- [vertegenwoordiger van de raad] , namens de raad;
- de bijzondere curator.
Gerechtshof Den Haag
De zaak betreft een teruggeleidingsverzoek van de moeder op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) 1980, waarbij de minderjarige sinds april 2019 bij de vader in Nederland verblijft. De moeder verzocht om teruggeleiding naar Spanje, waar de minderjarige haar gewone verblijfplaats had. De rechtbank had de terugkeer gelast, maar de vader ging in hoger beroep.
Het hof oordeelt dat de minderjarige ongeoorloofd in Nederland wordt vastgehouden in de zin van artikel 3 HKOV Pro. De vader voert een beroep in artikel 13 lid 1 sub b HKOV Pro aan, stellende dat terugkeer een ernstig risico op geestelijk gevaar inhoudt vanwege een ontwikkelingsachterstand en onvoldoende hulpverlening bij de moeder in Spanje.
Na beoordeling van de feiten, waaronder rapportages van het consultatiebureau en verklaringen van de bijzondere curator en de raad voor de kinderbescherming, concludeert het hof dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige bij terugkeer in Spanje in een schadelijke situatie terechtkomt. Ook zijn er geen adequate voorzieningen ter bescherming na terugkeer. Daarom wijst het hof het teruggeleidingsverzoek af en vernietigt de bestreden beschikking.
De minderjarige mag voorlopig bij de vader in Nederland blijven totdat de Spaanse rechter definitief beslist over de hoofdverblijfplaats. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd. De beslissing is genomen door het hof Den Haag op 29 januari 2020.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Spanje af wegens ernstig risico op geestelijk gevaar.