Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 22 december 2020
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[appellante] ,
appellante,
de gemeente Den Haag,
Het geding
- het procesdossier van eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2019 (hierna: het vonnis of het bestreden vonnis);
- de dagvaarding in hoger beroep van 18 juni 2019 en het anticipatie-exploot van 3 juli 2019;
- de memorie van grieven, tevens wijziging van eis (met producties)
- de memorie van antwoord (met producties);
- de akte van [appellante] van 18 februari 2020 (met producties);
- de antwoordakte van de Gemeente van 17 maart 2020;
- de ter gelegenheid van het pleidooi door [appellante] overgelegde producties 29 tot en met 32;
Beoordeling van het hoger beroep
(2.1) De Gemeente heeft in 2000 in Ypenburg (Den Haag) een terrein met verharde standplaatsen voor woonwagens opgeleverd. Sinds november 2000 woont [appellante] daar in een eigen woonwagen op de van de Gemeente gehuurde woonwagenstandplaats met bijbehorend voorzieningengebouwtje aan de [standplaats] (hierna: de standplaats).
In 2002 is de huidige woonwagen (40-60 ton gewicht, met een oppervlak van 8,25 x 18 meter) door [appellante] geplaatst. De woonwagen is van onderen verstevigd door middel van stalen balken (een stalen frame) en kan worden gesteld door16 onder de woonwagen geplaatste verstelbare steunpunten (poeren) die rusten op stelconplaten (betonnen platen van 1x2 m).
Aanvankelijk woonde [appellante] met haar partner [partner] , die van de aanvang af de formele huurder was, in de woonwagen. In 2005 heeft [appellante] de Gemeente verzocht de huurovereenkomst op haar naam te zetten en dit is in elk geval per 15 maart 2010 gebeurd.
Op verzoek van [appellante] heeft (kort gezegd) deskundige Wijcon op 14 december 2017 gerapporteerd. Op 16 oktober 2020 heeft deskundige Hannink in een procedure bij de rechtbank Den Haag tussen zeven buren van [appellante] en de Gemeente een concept-voorlopig deskundigenbericht uitgebracht.
De draagkracht van de standplaats is toereikend. De bodem bezwijkt dus niet onder het gewicht van de woonwagen.
I veroordeling van de Gemeente om de standplaats binnen drie maanden te
herstellen;
II veroordeling van de Gemeente om de betaalde huurpenningen vanaf 6
maanden voorafgaande aan het instellen van de vordering terug te betalen;
III voor recht te verklaren dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade aan
de woonwagen van [appellante] en gehouden is tot vergoeding ervan;
IV verwijzing naar de schadestaatprocedure;
V veroordeling van de Gemeente in de proceskosten van beide instanties, de
nakosten daaronder begrepen.
Verdere beoordeling van het hoger beroep
Woonwagens zijn uit de aard der zaak verplaatsbaar, zij het dat dit tegenwoordig gelet op de omvang en het gewicht ervan (zoals bij [appellante] ) niet eenvoudig is. Een woonwagen lijkt in veel gevallen (dus qua uiterlijk, vaak met een stenen ombouw) vast met de grond verbonden te zijn, maar dat is niet zo. Een woonwagen is daardoor voor wat betreft de fundering wezenlijk anders dan een ‘gewoon’ woonhuis of woongebouw (flat e.d.). Een woonhuis/woongebouw heeft een dusdanig stevige en directe verbinding met de bodem dat een woning niet verplaatsbaar en evenmin verstelbaar is en de fundering aan specifieke eisen moet voldoen. Bij een woonwagen is dit anders. De funderingseisen voor een woonhuis/woongebouw zijn niet op woonwagens van toepassing. Irrelevant hierbij is of een woonwagen juridisch al dan niet als onroerend moet worden bestempeld. De NEN-9997-01 grenswaarden waarop [appellante] zich ter onderbouwing van het door haar gestelde gebrek (met name) baseert, heeft betrekking op geotechnische aspecten van het ontwerp van gebouwen (huizen/flats e.d.) en civieltechnische werken (zoals kademuren, tunnels, dijken en damwanden), dus niet op woonwagens. Dit is ook logisch, nu een woonwagen op een heel andere manier is gefundeerd dan een gewoon huis. Een huis staat, zoals gezegd, met zijn volle gewicht op een vaste fundering in de volle grond. De woonwagen van [appellante] met het stalen frame is verplaatsbaar; haar woonwagen is gefundeerd/verstevigd met een stalen frame, ondersteund door 16 verstelbare poeren op betonnen platen van 1x2 meter. De woonwagen met stalen frame staat boven de grond (volgens [appellante] bij pleidooi staat haar woonwagen, anders dan bij buurman [buurman] , heel hoog) en is, gelet op de funderings-/frameconstructie, te verstellen. De fundering van een woning daarentegen zit vast in de grond, is niet te stellen en moet dus vanaf het begin ongewijzigd en blijvend toereikend zijn; de NEN-9997-01 beoogt hiervoor funderingsmaatstaven (grenswaarden) aan te reiken. Gelet op de aard van een woonwagen zijn deze funderingsmaatstaven dus niet, ook niet als vertrekpunt, van toepassing bij woonwagens. Dit mocht [appellante] ook niet verwachten. Het bouwbesluit, waar [appellante] zich tevens op beroept, geeft veiligheidsinstructies (ook voor woonwagens). Er is echter geen norm voor woonwagens waarin specifieke prestatie-eisen (zoals funderingseisen) worden genoemd.
Een gebrek (in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW Pro) is een staat of een eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de huurovereenkomst mag verwachten. De vraag is dus: Wat mocht [appellante] verwachten van de standplaats? (Het hof laat hierbij in het midden of de huurovereenkomst met [appellante] in 2010 of eerder tot stand is gekomen.)
Slotsom
Beslissing
- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot zover aan de zijde van de Gemeente begroot op € 5.382,-- aan griffierecht, € 2.685,-- salaris voor de advocaat en op € 157,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,-- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.