Conclusie
1.Feiten en procesverloop
(ii) Trivire heeft in oktober 2018 aan de huurders van dat complex een informatiebrochure verstuurd waarin zij verduurzamingswerkzaamheden heeft aangekondigd en beschreven. In de brochure staat onder andere dat de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd in bewoonde staat.
(iii) [eiser] heeft in december 2018 een “Akkoordverklaring energiezuiniger maken van uw woning” ondertekend met onder andere de volgende verklaring:
(v) In de periode van ongeveer juli 2019 tot ongeveer april 2020 hebben in het complex werkzaamheden plaatsgevonden. In de woning van [eiser] hebben de werkzaamheden van 4 tot en met 18 september 2019 plaatsgevonden. [eiser] heeft in de periode waarin er aan het complex is gewerkt enige tijd bij vrienden gelogeerd en heeft daarbij alleen een beperkt aantal persoonlijke voorwerpen meegenomen.
bewoners die als gevolg van de [voor stedelijke vernieuwing noodzakelijke, hof] herstructurering gedwongen worden te verhuizen, recht hebben op een fatsoenlijke tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten” en dat die kosten “
minimaal 4175 euro (NIBUD) en maximaal 6885 euro (Woonbond)” bedragen. Het in dit citaat genoemde minimumbedrag staat in het rapport “Berekening van verhuiskosten bij renovaties” van het Nibud uit 2002, waarin een berekening is gemaakt van de kosten van verhuizing van de inboedel en van vloerbedekking, stoffering, behang- en schilderwerk en tuininrichting. Ook daaruit volgt dat de wetgever bij die regeling een situatie voor ogen heeft gehad waarin de huurder meer verplaatst dan een beperkt aantal logeerspullen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelklaagt dat het hof in rov. 6.3, 6.4 en 6.5 miskent dat in een geval als het onderhavige, waarin veronderstellenderwijs vaststaat dat sprake was van een in verband met een renovatie noodzakelijke verhuizing, en waarin de verhuurder geen volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning aan de huurder ter beschikking heeft gesteld, een huurder eenmaal recht heeft op de minimumbijdrage als bedoeld in art. 7:220 lid 6 BW Pro, en dat die vergoeding een forfaitair karakter heeft, zodat de huurder recht heeft op de minimumbijdrage ongeacht of hij feitelijk geen of minder kosten maakt. Het hof zou ten onrechte betekenis hebben toegekend aan de hoeveelheid spullen die [eiser] feitelijk heeft meegenomen, aldus de klacht. Het
tweede onderdeelbevat een op het voorgaande voortbouwende klacht die is gericht tegen de door het hof bereikte slotsom (rov. 1.2 en 6.13) en tegen het dictum.
Afsluitend besteed ik aandacht aan het betoog van Trivire (i) dat belang bij het middel ontbreekt, omdat er geen noodzaak was te verhuizen gezien de door haar aangeboden alternatieven, en (ii) dat bij beantwoording van de vraag of de huurder genoodzaakt was te verhuizen, niet meeweegt dat de huurder thuis pleegt te werken (2.21 e.v.).
dringende werkzaamhedenaan het gehuurde moet (laten) uitvoeren of de verhuurder krachtens 5:56 BW iets moet toestaan ten behoeve van een naburig erf. Lid 2 van art. 7:220 BW Pro ziet op het geval waarin de verhuurder, onder voortzetting van de huurovereenkomst, wil overgaan tot
renovatievan het gehuurde en daartoe een redelijk voorstel doet; de derde zin van lid 2 preciseert wat onder renovatie moet worden verstaan. [8] In de leden 1 en 2 bedoelde gevallen rust een gedoogplicht op de huurder. De huurder behoudt echter zijn aanspraken op vermindering van de huurprijs, op ontbinding van de huurovereenkomst en op schadevergoeding. [9]
Voorts heeft Trivire buiten het complex een door haar zogenoemd badhuis geplaatst, met daarin toiletten en douches, maar ook een woonkamer met tafels, stoelen en banken, alsmede een koelkast, radio en wifi, waar bewoners van het complex desgewenst konden verblijven gedurende de uitvoering van de werkzaamheden.” Dergelijke door de verhuurder getroffen (nood)voorzieningen, die een plek verdienen in het renovatievoorstel, [20] moeten worden meegewogen bij de beoordeling of de renovatiewerkzaamheden het noodzakelijk maken dat de huurder zijn woning tijdelijk verlaat. De huurder is niet verplicht om gebruik te maken van dergelijke (nood)voorzieningen. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of van de huurder in redelijkheid kan worden verwacht dat hij van de (nood)voorzieningen gebruikmaakt.
Uit deze beslissing blijkt dat de minimumbijdrage als bedoeld in artikel 7:220 lid 6 BW Pro niet verschuldigd is wanneer de verhuurder een volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning ter beschikking heeft gesteld. Dit laatste is niet omdat in een dergelijk geval geen sprake zou zijn van een verhuizing. De Hoge Raadt grondt dit oordeel op een redelijke wetsuitleg:
de huurder die het gehuurde wegens een renovatie moet verlaten niettemin geen verhuis- en inrichtingskosten maakt of minder kosten dan de minimumbijdrage.In die situatie brengt de dwingendrechtelijke aard van de regeling van de verhuiskostenvergoeding en het forfaitaire karakter van de minimumbijdrage mee, dat de huurder ten minste daarop aanspraak heeft, ongeacht de daadwerkelijk gemaakte kosten.
(i) Het is noodzakelijk dat de huurder het gehuurde verlaat in verband met renovatie. De verhuurder heeft, door een volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning ter beschikking te stellen, een redelijke en passende voorziening getroffen die meebrengt dat de huurder zelf geen verhuis- en herinrichtingskosten behoeft te maken. [21] In dit geval is de verhuurder de forfaitaire verhuiskostenvergoeding van art. 7:220 lid 5 BW Pro
nietverschuldigd.
(ii) Het is noodzakelijk dat de huurder het gehuurde verlaat in verband met renovatie. De verhuurder heeft niet een voorziening getroffen als bedoeld onder (i). In dit geval is de verhuurder de forfaitaire verhuiskostenvergoeding
welverschuldigd, óók als de huurder “geen verhuis- en inrichtingskosten maakt of minder kosten dan de minimumbijdrage
”.In dat geval brengt de dwingendrechtelijke aard van de regeling van de verhuiskostenvergoeding en het forfaitaire karakter van de minimumbijdrage mee, dat de huurder ten minste daarop aanspraak heeft, ongeacht de daadwerkelijk gemaakte kosten.
het gehuurde wegens een renovatie moet verlaten” (rov. 3.3.3). Deze overweging moet worden gelezen samen met de eerdere overwegingen dat “de werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd
terwijl de huurder in de woning blijft wonen” (rov. 3.2.6) en dat “de huurder (…) recht heeft op de minimumbijdrage,
ongeacht hoe lang het verblijf elders duurt” (rov. 3.2.7). Wat betreft het begrip verhuizing volstaat dat de huurder
wegensde renovatie de woning
verlaat. Ook bij het vertrek naar een wisselwoning is dus sprake van een verhuizing in de zin van artikel 7:220, leden 5 en 6, BW. [22] Daarvoor is niet nodig dat de huurder ook (een deel van) de inboedel verhuist. Huydecoper schrijft in zijn noot onder de prejudiciële beslissing:
niet, zoals de Hoge Raad in rov. 3.3.3 nog eens expliciet aangeeft; de rechtvaardiging zit hem erin dat de verhuurder ervoor heeft gezorgd dat de kosten die normaal aan dit geval verbonden zijn, (kunnen) worden voorkomen. Waar dat niet het geval is, heeft de huurder dus recht op de vergoeding, ook als hij in werkelijkheid geen (noemenswaardige) kosten heeft gemaakt. (…).” [23]
Hiertegenover staat, kort gezegd, dat volgens de memorie van toelichting “[m]et een noodzakelijke verhuizing wordt gedoeld op de situatie dat de werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd wanneer de huurder in de woning blijft wonen” (zie conclusie A-G Valk nrs. 3.9-3.10; de Hoge Raad verwijst in rov. 3.2.6 naar deze passage in de parlementaire geschiedenis).
Hiertegenover staat, kort gezegd, dat de wetgever het verhuisbegrip in artikel 7:220, leden 5-7, BW niet heeft beperkt tot het geval waarvan het Nibud is uitgegaan en dat het gaat om een forfaitair bedrag (zie conclusie A-G Valk nrs. 3.31-3.32; de Hoge Raad verwijst in rov. 3.2.5 naar het Nibud-rapport en in rov. 3.2.7 naar het forfaitaire karakter van de minimumbijdrage).
kostenen dus, gezien de wil van de wetgever en de ratio van de regeling, niet van toepassing is wanneer de huurder dergelijke kosten niet maakt. Trivire verwijst daarbij naar een brief van minister Ollongren in antwoord op Kamervragen, waarin het standpunt wordt ingenomen: “
De huurder moet daadwerkelijk verhuizen. Dat wil zeggen: zijn inboedel (tijdelijk) naar een andere woning verplaatsen.
Een kort verblijf in een volledig ingerichte logeerwoning ziet de rechter niet als een verhuizing.” [26] Het beroep op de wil van de wetgever en de ratio van de regeling stuit af op hetgeen door de Hoge Raad is overwogen over de strekking van de verhuiskostenregeling in de zaak Portaal II (in het bijzonder rov. 3.2.6-3.2.7 en 3.3.3). Daaraan kan het standpunt van de minister in de genoemde brief, die dateert van na de parlementaire behandeling en totstandkoming van de wettelijke regeling van de verhuiskostenvergoeding, niet afdoen. [27] Overigens lijkt de minister in deze brief te verwijzen naar de hiervoor (in 2.17.1) bedoelde feitenrechtspraak van voor de prejudiciële beslissing in Portaal II.
onzelfstandige woonruimten. Hierin ziet zij bevestiging van haar standpunt. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat de kosten voor verhuizing bij onzelfstandige woonruimten over het algemeen veel lager liggen en voorts dat kamers vaak gemeubileerd worden verhuurd.
Dit aspect van de regeling is vermeld in de conclusie van A-G Valk in de zaak Portaal II (nr. 3.11 onder a). Het daaraan door Trivire ontleende argument stuit af op de overwegingen van de Hoge Raad in Portaal II en op het forfaitaire karakter van de in artikel 7:220, leden 5-6, BW bedoelde minimumbijdrage bij onder meer zelfstandige woonruimten. De overwegingen waarnaar Trivire verwijst zijn bedoeld als een rechtvaardiging voor het onderscheid tussen zelfstandige en onzelfstandige woonruimten bij het bepalen van het toepassingsbereik van de forfaitaire minimumbijdrage. Zij dwingen niet tot een andere opvatting over het forfaitaire karakter van die bijdrage.
Ook dit aspect van de regeling is besproken in de conclusie van A-G Valk in de zaak Portaal II (nr. 3.14). Blijkens de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad speelt dit onderscheid inderdaad geen rol bij de toepassing van de in artikel 7:220, leden 5-6, BW bedoelde minimumbijdrage. Het argument herhaalt in wezen het in 2.18.2 bedoelde argument dat de regeling veronderstelt dat daadwerkelijk kosten (voor de verplaatsing van inboedel) zijn gemaakt. Dit argument stuit daarom ook af op de overwegingen van de Hoge Raad in Portaal II en op het forfaitaire karakter van de minimumbijdrage.
Dit betoog kan in het licht van de prejudiciële beslissing in Portaal II deels worden gevolgd. Zo heeft de Hoge Raad overwogen dat de kosten voor verplaatsing van de inboedel en voor herinrichting van de gerenoveerde woning, die gepaard kunnen gaan met een tijdelijk verblijf in een wisselwoning of gemaakt worden bij terugkeer in de gerenoveerde woning, door de verhuurder moeten worden vergoed op de voet van art. 7:220 lid 2 in Pro verbinding met art. 7:208 BW Pro (rov. 3.4.3, zie ook rov. 3.2.1, 3.3.3 slot).
Ik lees hierin echter, anders dan Trivire, geen reden voor een beperking van het verhuisbegrip als door Trivire wordt bepleit. Niet alleen volgt dit niet uit de overwegingen in Portaal II over de huurder die ‘verhuist’, dat wil zeggen wegens de renovatie de woning verlaat (zie rov. 3.2.6-3.2.7 en 3.3.3). De door Trivire aangehaalde overweging over kosten voor verplaatsing van de inboedel stroken met het ‘verhuisbegrip’, omdat de Hoge Raad overweegt dat deze kosten gepaard
kunnengaan met een tijdelijk verblijf in een wisselwoning.
achteraf− indien is komen vast te staan dat sprake is geweest van een renovatie en van een noodzaak tot verhuizen, terwijl de verhuurder geen volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning heeft aangeboden − de forfaitaire minimumbijdrage te onthouden op de grond dat van een ‘verhuizing’ geen sprake is geweest omdat de inboedel is blijven staan.
Blijkens de prejudiciële beslissing in de zaak Portaal II is de minimumbijdrage niet verschuldigd wanneer een adequate wisselwoning ter beschikking wordt gesteld. De prejudiciële beslissing noemt (in rov. 3.3.4) enige gezichtspunten om te beoordelen of een aangeboden wisselwoning een redelijke en passende voorziening is.
Voorts kan de noodzaak van verhuizing wegens renovatie (indien en voor zover daarvan sprake is) afhankelijk zijn van de persoonlijke omstandigheden van de huurder. Denkbaar is dat door het nemen van bepaalde maatregelen kan worden voorkomen dat er voor (sommige) huurders een noodzaak tot verhuizing wegens een renovatie is.
Verder moet, wanneer een huurder de woning tijdelijk heeft verlaten, worden beoordeeld of dit is gebeurd wegens de renovatiewerkzaamheden. Ten slotte kan in uitzonderlijke gevallen, waarin kort gezegd sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, [28] het beroep op de minimumbijdrage naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. [29]
eerste onderdeel. Als gevolg daarvan kunnen ook rov. 1.2 en 6.13 e.v. niet onverkort in stand blijven, zodat ook het
tweede onderdeelslaagt.