Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 22 december 2020
[appellant],
1. Bricks & Concrete B.V.,
2. CAI B.V.,
3. [geïntimeerde 3],
Het verloop van de procedure in hoger beroep
De Feiten
Dank je [voornaam] voor de m2 (…).”
De procedure bij de rechtbank
De vorderingen in hoger beroep
De beoordeling van het hoger beroep
“Dank je [voornaam] voor de m2 (…)”.Ook dit is een (ook voor [appellant] duidelijke) aanwijzing dat het aantal m2 voor CAI van belang was. Dat uit de e-mail van 31 mei 2017 waarin de makelaar van [betrokkene 1] de doorverkoop van het pand aan [betrokkene 1] heeft bevestigd aan CAI, blijkt dat de makelaar van [betrokkene 1] geen duidelijkheid heeft over de opgegeven maatvoering omdat deze volgens hem niet strookt met BAG en ook niet met de aangeleverde plattegrondtekening, doet aan het voorgaande niet af. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat het zorgvuldiger was geweest als [geïntimeerde 3] in verband met het voorbehoud van [betrokkene 1] eerst zekerheid had verkregen over het exacte aantal m2 BVO voordat hij de koopovereenkomst met [appellant] sloot, maar mede gelet op de ruime marge tussen het door [appellant] opgegeven aantal m2 BVO en het met [betrokkene 1] overeengekomen aantal m2 BVO is niet persoonlijk ernstig verwijtbaar dat [geïntimeerde 3] bij het sluiten van de koopovereenkomst met [appellant] erop heeft vertrouwd dat zou kunnen worden voldaan aan het door [betrokkene 1] gestelde minimum vereiste van 380 m2. Dit betekent ook dat, anders dan [appellant] betoogt, [geïntimeerde 3] met het accepteren namens CAI van artikel 6 lid 6 van Pro de koopovereenkomst met [appellant], waarin is bepaald dat het verschil tussen de opgegeven en de werkelijke grootte geen der partijen enig recht verleent, niet welbewust een persoonlijk ernstig verwijtbaar en onverantwoord groot risico heeft genomen. Het hof tekent hierbij tot slot nog aan dat de veronderstelling van [geïntimeerde 3] dat tegenover [betrokkene 1] voldaan zou kunnen worden aan de voorwaarde dat het BVO minimaal 380m2 bedraagt, overeenkomt met de eigen veronderstelling van [appellant], die er in zijn e-mail van 6 juni 2017 aan [geïntimeerde 3] toen zelf ook nog van uitging dat het BVO van het pand minimaal 384 m2 bedraagt.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, Team handel, van 14 februari 2018;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 741,-- aan verschotten en € 9.483,-- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.