Conclusie
1.Feiten
hof) gaat uit van de feiten zoals beschreven in rov. 2 onder (i) t/m (xxiv) van zijn arrest van 22 december 2020, [1] die neerkomen op het volgende:
CAI) exploiteert een onderneming die handelt in onroerend goed. CAI is opgericht op 24 juni 2016. [verweerder 3] (hierna:
[verweerder 3]) is bestuurder en enig aandeelhouder van CAI.
[eiser]) is eigenaar van [het pand] in [plaats] (hierna: het
pand). In het pand is Bavaria als huurder gevestigd.
appartementsrechten).
BVO), een tekening van het pand en foto’s van de inrichting aan CAI gestuurd. Op de tekening is een totaal BVO vermeld van 402,7 m2. Bij e-mail van diezelfde dag heeft [verweerder 3] aan [eiser] geantwoord:
[betrokkene 3]), aan [betrokkene 1] en CAI het volgende medegedeeld:
allenavolgende gegevens/stukken:
(...)
[vetgedrukt, onderstreept en verschrijving in origineel, A-G]
koopovereenkomst). In de koopovereenkomst is de leveringsdatum bepaald op 27 juli 2017. De koopovereenkomst bevat een ontbindende voorwaarde, inhoudende dat CAI de koop kan ontbinden indien zij uiterlijk zes weken na ondertekening van de koopovereenkomst geen hypothecaire geldlening of aanbod daartoe zou verkrijgen. Verder is in de koopovereenkomst bepaald dat indien een van partijen tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst zij een boete verschuldigd is van 10% van de koopsom (hierna: de
contractuele boete). In de koopovereenkomst is voorts nog bepaald dat een verschil in de opgegeven en de werkelijke grootte aan geen van partijen enig recht verleent.
[A]) opdracht gegeven om het pand op te meten.
[verschrijvingen in origineel, A-G]
[betrokkenen 5 en 6]) de appartementsrechten gekocht. Als leveringsdatum is 1 december 2017 genoemd. In de koopovereenkomst staat als koper vermeld:
Bricks) opgericht. [verweerder 3] is bestuurder en enig aandeelhouder van Bricks. In het handelsregister staat vermeld dat Bricks een onderneming exploiteert die handelt in onroerend goed.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
[verweerders]) gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en, voor zover thans relevant en zakelijk weergegeven, gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:
eindvonnis) de vorderingen afgewezen en [eiser] in de proceskosten veroordeeld.
arrest) bekrachtigt het hof het eindvonnis, veroordeelt het hof [eiser] in de kosten van het geding in hoger beroep en verklaart het hof het arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
De beoordeling van het hoger beroep
“Dank je [eiser] voor de m2 (…)”.Ook dit is een (ook voor [eiser] duidelijke) aanwijzing dat het aantal m2 voor CAI van belang was. Dat uit de e-mail van 31 mei 2017 waarin de makelaar van [betrokkene 2] de doorverkoop van het pand aan [betrokkene 2] heeft bevestigd aan CAI, blijkt dat de makelaar van [betrokkene 2] geen duidelijkheid heeft over de opgegeven maatvoering omdat deze volgens hem niet strookt met BAG en ook niet met de aangeleverde plattegrondtekening, doet aan het voorgaande niet af. Aan [eiser] kan worden toegegeven dat het zorgvuldiger was geweest als [verweerder 3] in verband met het voorbehoud van [betrokkene 2] eerst zekerheid had verkregen over het exacte aantal m2 BVO voordat hij de koopovereenkomst met [eiser] sloot, maar mede gelet op de ruime marge tussen het door [eiser] opgegeven aantal m2 BVO en het met [betrokkene 2] overeengekomen aantal m2 BVO is niet persoonlijk ernstig verwijtbaar dat [verweerder 3] bij het sluiten van de koopovereenkomst met [eiser] erop heeft vertrouwd dat zou kunnen worden voldaan aan het door [betrokkene 2] gestelde minimum vereiste van 380 m2. Dit betekent ook dat, anders dan [eiser] betoogt, [verweerder 3] met het accepteren namens CAI van artikel 6 lid 6 van Pro de koopovereenkomst met [eiser] , waarin is bepaald dat het verschil tussen de opgegeven en de werkelijke grootte geen der partijen enig recht verleent, niet welbewust een persoonlijk ernstig verwijtbaar en onverantwoord groot risico heeft genomen. Het hof tekent hierbij tot slot nog aan dat de veronderstelling van [verweerder 3] dat tegenover [betrokkene 2] voldaan zou kunnen worden aan de voorwaarde dat het BVO minimaal 380m2 bedraagt, overeenkomt met de eigen veronderstelling van [eiser] , die er in zijn e-mail van 6 juni 2017 aan [verweerder 3] toen zelf ook nog van uitging dat het BVO van het pand minimaal 384 m2 bedraagt.
[vetgedrukt, gecursiveerd en verschrijvingen in origineel, A-G]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
voor de goede orde het object bevat geen 380 m2 zoals opgegeven. Volgens BAG is de ruimte 273 m2 en op basis van de aangedragen plattegrondtekeningen van het pand 248 m2”. De koopovereenkomst zelf luidde in gelijke zin, ook daarin plaatste [betrokkene 2] (bij monde van zijn makelaar) ernstig te nemen kanttekeningen bij het opgegeven BVO van meer dan 380 m2. Het betrof een serieus te nemen voorbehoud. Voor zover althans, naar het oordeel van het hof in rov. 11 tot en met 20, ter beantwoording van de vraag of op [verweerder 3] bestuurdersaansprakelijkheid rust doorslaggevend is of hij op grond van de op 31 mei 2017 van [eiser] ontvangen tekeningen met vermelding van een BVO van 402,7 m2 mocht vertrouwen op vervulling van de met [betrokkene 2] overeengekomen opschortende voorwaarde van (documentatie waaruit blijkt van) een BVO van 380 m2 (en van een voortduring van de huur met Bavaria voor een vaste periode van ten minste vijf jaar), gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting, nu beslissend is of [verweerder 3] ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid ondanks de met [betrokkene 2] gesloten koopovereenkomst onder opschortende voorwaarden, uiteindelijk (als de opschortende voorwaarden niet zouden worden vervuld) de koopprijs niet te zullen kunnen voldoen en geen verhaal te zullen kunnen bieden (welk risico nog niet afwezig is als een partij zelf meent goede redenen te hebben om te vertrouwen op de vervulling van de opschortende voorwaarden). Dit geldt te meer nu ingevolge art. 7:17 lid 6 BW Pro de vermelding van het oppervlak slechts geldt als aanduiding, waaraan de zaak niet hoeft te beantwoorden, en nu partijen ook nog eens in art. 6.6 van de koopovereenkomst het risico van een afwijking van het oppervlak (van de opgave) nadrukkelijk bij CAI hebben gelegd, en [betrokkene 1] het pand vóór aankoop inspecteerde (en zijn kennis aan CAI moet worden toegerekend). Mede in het licht hiervan mocht van [verweerder 3] worden verlangd vóór hij namens CAI (met het daaraan inherente risico) voormelde koopovereenkomst sloot met [eiser] , te onderzoeken of het BVO ten minste 380 m2 bedroeg, en kon hij in de gegeven omstandigheden niet afgaan op een van verkoper ontvangen tekening.”
[gecursiveerd en verschrijvingen in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Overeenkomstig het door [eiser] aangevoerde, beoordeelt het hof in rov. 14-20 arrest, te lezen in het licht van rov. 9-13 arrest, of [verweerder 3] als bestuurder van CAI persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt doordat hij op 1 juni 2017 de koopovereenkomst met [eiser] heeft gesloten terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat CAI de verplichtingen uit de koopovereenkomst jegens [eiser] niet zou kunnen nakomen en CAI geen verhaal zou bieden (zie rov. 12 arrest en de daar bedoelde “kernvraag”), welke vraag het hof daar, anders dan [eiser] (zie ook rov. 13 arrest) en bezien vanuit diverse invalshoeken (zie rov. 15-19 arrest), ontkennend beantwoordt (zie rov. 14 en 20 arrest). Daarmee beziet het hof dus, met inachtneming van het partijdebat, of [verweerder 3] als bestuurder van CAI aansprakelijk is (naast CAI) jegens [eiser] op de voet van art. 6:162 BW Pro en in dat kader meer specifiek de zogeheten ‘Beklamel’-maatstaf, waarover ook rov. (10 en) 11 arrest, daarbij nagenoeg woordelijk puttend uit een Hoge Raad-arrest van 5 september 2014. [12] Wat het subonderdeel naar de kern genomen in de eerste plaats betoogt, is dat ‘s hofs bestreden oordeel in rov. 16 arrest rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is voor zover het hof daar [13] eraan voorbijziet dan wel niet kenbaar betrekt dat, zelfs als [verweerder 3] mocht vertrouwen op een totaal BVO van het pand van minimaal 380 m2, zulks niet wegneemt dat hij nog steeds ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid van een geringer BVO en daarmee een onvervuld blijven van de opschortende voorwaarde ter zake (die in de doorverkoopovereenkomst tussen CAI en [betrokkene 2] ), althans met een beroep van [betrokkene 2] op die opschortende voorwaarde. Daarbij bouwt het subonderdeel in het bijzonder voort op nrs. 8, [14] 17 [15] en 18 [16] van het cassatiemiddel, onderdeel van het onder 3.2 hiervoor bedoelde inleidend exposé, met als strekking dat het hof, gelet op een Hoge Raad-arrest van 4 april 2014, [17] bij de toepassing van genoemde ‘Beklamel’-maatstaf had moeten verdisconteren, maar dit niet althans niet afdoende kenbaar heeft gedaan, dat van een ‘weten of redelijkerwijze behoren te begrijpen’, etc. als daarin bedoeld (reeds) sprake kan zijn als [verweerder 3] bij het op 1 juni 2017 namens CAI sluiten van de koopovereenkomst met [eiser]
ernstig rekening ermee moest houdendat CAI de verplichtingen uit de koopovereenkomst jegens [eiser] niet zou kunnen nakomen en CAI geen verhaal zou bieden, hetgeen dan ter zake al beslissend, want voldoende, is. [18] De vraag of een bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van een verbintenis met een wederpartij ‘wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen’ dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen jegens die schuldeiser zou kunnen voldoen en die schuldeiser evenmin verhaal zou bieden, is niet geheel dezelfde als de vraag of een bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van een verbintenis met een wederpartij ‘ernstig rekening ermee moest houden’ dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen jegens die schuldeiser zou kunnen voldoen en die schuldeiser evenmin verhaal zou bieden. Van dit eerste - dus: ‘wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen’ dat, etc. - is wat minder snel sprake dan van dit laatste - dus: ‘ernstig rekening ermee moest houden’ dat, etc. - in termen van voorzienbaarheid van schuldeisersbenadeling (met, kort gezegd, die verplichtingen als gegeven voor de bestuurder), of anders gezegd: aan het kunnen aannemen van laatstgenoemde vorm van voorzienbaarheid van schuldeisersbenadeling worden iets minder strenge, iets lichtere eisen gesteld dan aan het kunnen aannemen van eerstgenoemde vorm van voorzienbaarheid van schuldeisersbenadeling. Dat aldus sprake is van een gradueel onderscheid, van verschillende schakeringen in dit voorzienbaarheidsspectrum, laat het betekenisvolle karakter van dat onderscheid, van dat verschil, onverlet; toepassing van de ene of de andere vorm van voorzienbaarheid van schuldeisersbenadeling zoals hier bedoeld, kan in een concreet geval ook uitmaken voor het al dan niet aannemen van externe bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW Pro. [19] Hoewel niet geheel uit te sluiten valt dat in een bepaald geval, in de gegeven (bijzondere) omstandigheden, bij wege van uitzondering van een aan de aangesproken bestuurder te maken ‘Beklamel’-verwijt ook (reeds) sprake kan zijn als hij bij het namens de vennootschap aangaan van de desbetreffende verbintenis met de betrokken wederpartij in genoemde zin ‘ernstig rekening ermee moest houden’ dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen jegens die schuldeiser zou kunnen voldoen en die schuldeiser evenmin verhaal zou bieden (wat dus leidt tot enige verlaging van de drempel voor het kunnen aannemen van zo’n verwijt, zie hiervoor), geldt deze mogelijkheid niet in algemene zin, niet als standaard. Een dergelijke rechtsregel bestaat niet, [20] ook niet als daarbij wordt betrokken de passage uit genoemd Hoge Raad-arrest van 4 april 2014 waarop het subonderdeel is geënt, te bezien in het licht ook van de klachten waarop de Hoge Raad daar respondeert: [21]
3.4 De onderdelen falen omdat zij de toepasselijkheid van een andere norm verdedigen dan de Hoge Raad ook voor een geval als het onderhavige heeft aanvaard in zijn arrest van 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758,
NJ2006/659. Het hof heeft de door de Hoge Raad aanvaarde norm terecht aan zijn oordeel ten grondslag gelegd. Het gaat erom of de aansprakelijk gestelde bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Dit betekent dat, anders dan de onderdelen betogen, voor een ernstig verwijt als in voormeld arrest van de Hoge Raad bedoeld, voldoende is dat de bestuurder ten tijde van het hem verweten handelen of nalaten ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat ondanks de gestelde tegenvordering een vordering op de vennootschap zou resteren.”
benadelingvan [eiser] als schuldeiser van CAI op basis van de koopovereenkomst zoals bedoeld bij de ‘Beklamel’-maatstaf, te weten:
Reeds gelet op dit een en ander is geen sprake van een rechtens onjuist of onbegrijpelijk oordeel van het hof in rov. 16 arrest, zoals bedoeld in het subonderdeel. Het hof houdt daar voor dit geval niet ten onrechte vast aan de klassieke ‘Beklamel’-maatstaf, conform vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie dus ook rov. 10-11 arrest); het door het subonderdeel ter zake aangevoerde, onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken, maakt niet dat ’s hofs toepassing van die maatstaf daar rechtens onjuist is noch dat ‘s hofs bestreden oordeel daar onbegrijpelijk is. [26] Met het voorgaande valt ook de bodem weg onder het vervolgbetoog van het subonderdeel, erop neerkomend dat hier “beslissend is” of [verweerder 3] “ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid” dat CAI ondanks de met [betrokkene 2] gesloten doorverkoopovereenkomst onder opschortende voorwaarden uiteindelijk (als de opschortende voorwaarden niet zouden worden vervuld) de koopprijs niet zou kunnen voldoen en geen verhaal zou kunnen bieden (welk risico nog niet afwezig is als een partij zelf meent goede redenen te hebben om te vertrouwen op de vervulling van de opschortende voorwaarden), en dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het daarvan in rov. 11-20 arrest niet uitgaat. [27] De daar door het subonderdeel voorgestane opvatting vindt immers geen steun in het recht. In het verlengde daarvan sneeft ook het vervolg van het subonderdeel vanaf “Dit geldt te meer”, etc., wat voortbouwt op het daaraan voorafgaande en deelt in het lot daarvan, waarover hiervoor. Voor zover de slotzin van het subonderdeel nog een te onderscheiden klacht zou bevatten (die ik daarin niet kan ontwaren), voldoet deze evident niet aan de daaraan te stellen minimumeisen op de voet van art. 407 lid 2 Rv Pro, waarbij ik ook betrek dat cassatieberoep geen derde feitelijke instantie behelst.
Hierop stuit het subonderdeel in zoverre af.
[1]Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is in rov. 16 niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd, waarom [verweerder 3] geen persoonlijk ernstig verwijt treft door te vertrouwen op een BVO van ten minste 380 m2, ofschoon hij hiernaar vóór 1 juni 2017 geen onderzoek deed, hij vóór totstandkoming van de koopovereenkomst op 1 juni 2017 [eiser] hiernaar nooit heeft gevraagd, dit geen onderwerp was van gesprek voor 1 juni 2017, en [eiser] - onbekend met het belang voor CAI van een BVO van ten minste 380 m2 - ter zake geen enkele garantie verschafte, en enkel een door Bavaria opgestelde tekening verstrekte.
[2]Althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet (voldoende) begrijpelijk waarom [verweerder 3] (enkel) op grond van voormelde, hem op 31 mei 2017 toegestuurde tekening met vermelding van een BVO van 402,7 m2 in dit kader geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van zijn vertrouwen op een BVO van ten minste 380 m2, nu hij vóór 1 juni 2017, toen hij met [eiser] voormelde koopovereenkomst sloot, geen enkel onderzoek deed naar het BVO van het pand, [verweerder 3] door ( [betrokkene 3] , de makelaar van) [betrokkene 2] al op 30 mei 2017 was gewezen op een geringer BVO dan 380 m2, hij ook al eerder door (de makelaar van) [betrokkene 2] was geattendeerd op een incongruentie tussen de GBA en de plattegrondtekeningen, waarbij werd uitgegaan van een beduidend geringer oppervlak - zoals [betrokkene 3] schreef: “
voor de goede orde het object bevat geen 380 m2 zoals opgegeven. Volgens BAG is de ruimte 273 m2 en op basis van de aangedragen plattegrondtekeningen van het pand 248 m2” - ook in de koopovereenkomst met [betrokkene 2] wordt gewezen op de discrepantie tussen de BAG en de plattegrondtekeningen, en [verweerder 3] ook zelf stelde met de koopovereenkomst met [eiser] een gok te hebben genomen, althans speculeerde op vervulling van de opschortende voorwaarden, partijen het risico van een geringer BVO in de koopovereenkomst nadrukkelijk bij CAI legden, en [verweerder 3] de mogelijkheid voor CAI om haar verbintenis tot betaling van de met [eiser] afgesproken koopprijs afhankelijk maakte van vervulling van de opschortende voorwaarde van (bewijs van) een BVO van 380 m2, en gelet op deze afhankelijkheid van doorlevering aan [betrokkene 2] voor betaling van de koopprijs (in ieder geval in het licht van voormelde aanwijzingen voor een geringer BVO) [verweerder 3] niet louter op basis van voormelde tekeningen had mogen uitgaan van een BVO van ten minste 380 m2, althans hem (in de gegeven omstandigheden) niet reeds met de ontvangst van de bewuste tekeningen geen persoonlijk ernstig verwijt valt te maken van zijn vertrouwen op een BVO van 380 m2.
[3]Als daar zoveel van afhangt, en de bestuurder diverse indicaties heeft voor een geringer BVO (uit voormelde e-mails van de makelaar van [betrokkene 2] ) en de vennootschap geen enkel onderzoek verricht naar het BVO vóór totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser] op 1 juni 2017 behoeft nadere motivering waarom de verstrekking van een enkele tekening voldoende zou zijn om (in weerwil van aanwijzingen voor het tegendeel) uit te gaan van een BVO van ten minste 380 m2.
[4]Door zonder [eiser] hiervan deelgenoot te maken te speculeren op vervulling van de opschortende voorwaarden, waaronder of zou blijken van een BVO van ten minste 380 m2, waarbij CAI als dit niet het geval zou zijn het pand niet zou kunnen afnemen en geen verhaal zou zullen kunnen bieden (terwijl hij [eiser] voorhield een bancaire financiering aan te vragen) en [verweerder 3] het risico voor een afwijking van het BVO in de koopovereenkomst met [eiser] bij CAI legde, en [eiser] er niet op bedacht hoefde te zijn uiteindelijk geen betaling te verkrijgen bij een geringe BVO dan 380 m2) zadelde [verweerder 3] uiteindelijk [eiser] op met het risico van niet-vervulling van hem onbekende opschortende voorwaarden uit een hem niet meegedeelde doorverkoop. Dit geldt te meer nu ingevolge art. 7:17 lid 6 BW Pro de vermelding van het oppervlak slechts geldt als aanduiding, waaraan de zaak niet hoeft te beantwoorden, en nu partijen ook nog eens het risico van een afwijking van het oppervlak (van de opgave) nadrukkelijk bij CAI hebben gelegd. Mede in het licht hiervan mocht van [verweerder 3] worden verlangd vóór hij namens CAI (met het daaraan inherente risico) voormelde koopovereenkomst sloot met [eiser] , te onderzoeken of het BVO ten minste 380 m2 bedroeg, en kon hij in de gegeven omstandigheden niet afgaan op één van verkoper ontvangen tekening.”
[gecursiveerd en verschrijvingen in origineel, zonder verwijzingen in origineel, vetgedrukte nummering tussen blokhaken toegevoegd, A-G]
In rov. 15 arrest stelt het hof voorop, in cassatie onbestreden, dat in de tussen CAI en [betrokkene 2] op 31 mei 2017 tot stand gekomen doorverkoopovereenkomst als voorwaarde werd gesteld dat het totale BVO van het pand minimaal 380 m2 zou bedragen en dat op de tekeningen die op 31 mei 2017 door CAI van [eiser] zijn ontvangen een totaal BVO van 402,7 m2 is vermeld. Met dit laatste doelt het hof op de vaststelling in rov. 2 onder (vii) arrest, in cassatie eveneens onbestreden, dat op 31 mei 2017 [eiser] aanvullende informatie over het bruto vloeroppervlak (BVO), een tekening van het pand en foto’s van de inrichting aan CAI heeft gestuurd, dat op de tekening een totaal BVO van het pand van 402,7 m2 is vermeld en dat bij e-mail van diezelfde dag [verweerder 3] aan [eiser] heeft geantwoord:
De kernvraag die het hof in rov. 9-20 arrest beantwoordt, is of [verweerder 3] als bestuurder van CAI persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt doordat hij op 1 juni 2017 de koopovereenkomst met [eiser] sloot, terwijl hij wist of moest weten dat CAI de verplichtingen uit die overeenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden (zie rov. 12 arrest, waarover ook onder 3.5 hiervoor). Ter beantwoording van die kernvraag beoordeelt het hof in rov. 16 arrest of [verweerder 3] een persoonlijk ernstig verwijt ervan kan worden gemaakt dat hij bij het namens CAI sluiten van de koopovereenkomst met [eiser] op 1 juni 2017 op grond van de in rov. 15 arrest (in verbinding met rov. 2 onder (vii) arrest) bedoelde opgave [29] erop heeft vertrouwd dat het totale BVO van het pand ten minste 380 m2 zou bedragen (en aldus voldaan zou kunnen worden aan het door [betrokkene 2] gestelde minimumvereiste van 380 m2 in de doorverkoopovereenkomst tussen CAI en [betrokkene 2] van 31 mei 2017). [30] Deze laatste vraag beantwoordt het hof in rov. 16 arrest ontkennend, waarbij het hof niet alleen genoemde opgave betrekt, maar onder meer en kort gezegd ook:
Het is, gegeven de hier door de steller van het cassatiemiddel gekozen aanvliegroute van het subonderdeel, nog niet zo eenvoudig om te doorgronden welke klachten het subonderdeel bevat. [33] Ik kom, mede gelet op de opbouw van het subonderdeel, uit op de onderverdeling in [1] t/m [4] zoals weergegeven onder 3.6 hiervoor. Voor zover de klacht in het subonderdeel onder [1] al voldoet aan de minimumeisen die art. 407 lid 2 Rv Pro daaraan stelt, [34] loopt deze reeds erop vast dat, anders dan de klacht kennelijk veronderstelt, het hof met hetgeen het overweegt in rov. 16 arrest en de daaraan inherente waarderingen van sterk feitelijke aard, waarover hiervoor, [35] zonder nadere motivering voldoende navolgbaar maakt waarom naar zijn oordeel, met inachtneming van het partijdebat, [verweerder 3] geen persoonlijk ernstig verwijt treft door, ten tijde van het sluiten namens CAI van de koopovereenkomst met [eiser] op 1 juni 2017, erop te vertrouwen dat het totale BVO van het pand ten minste 380 m2 zou bedragen (en dus voldaan zou kunnen worden aan de opschortende voorwaarde ter zake van [betrokkene 2] in de doorverkoopovereenkomst tussen CAI en [betrokkene 2] van 31 mei 2017). Dit geldt ook als daarbij wordt betrokken wat de klacht ter zake aanvoert (zie onder 3.6 hiervoor), hetgeen, wat daarvan verder zij, naar de aard en zonder meer nog niet in de weg staat aan ’s hofs bestreden oordeel en dat oordeel (dus) nog niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd maakt. Dit een en ander geldt eveneens voor de klacht in het subonderdeel onder [2], waarbij komt:
Hierop stuit het subonderdeel ook in zoverre af.
“Dank je [eiser] voor de m2 (…)”.Ook dit is een (ook voor [eiser] duidelijke) aanwijzing dat het aantal m2 voor CAI van belang was. (…)”
[gecursiveerd en verschrijving in origineel, A-G]
belangrijk gewicht in de schaal legt" en [verweerder 3] in reactie op de e-mail van [eiser] d.d. 31 mei 2017, waarbij hem de tekening werd gestuurd met vermelding van het totaal BVO van 402,7 m2, bij e-mail van dezelfde dag antwoordde “
dankje [eiser] voor de m2 (...)". Dit oordeel is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd, nu weliswaar, zoals het hof overweegt, “het exacte aantal m2 in de (zakelijke) vastgoedwereld in het algemeen, en in de horeca-vastgoedwereld in het bijzonder, een belangrijk gewicht in de schaal legt, maar partijen in dit concrete geval het risico van een afwijking van het BVO, althans een verschil tussen de opgegeven en de werkelijke grootte, in de koopovereenkomst nadrukkelijk bij CAI hebben gelegd, ingevolge art. 7:17 lid 6 BW Pro (op welke bepaling [eiser] eveneens een beroep heeft gedaan) de vermelding van de oppervlakte van het onroerend goed slechts wordt vermoed een aanduiding te zijn, waaraan de zaak niet hoeft te beantwoorden, CAI ook heeft verklaard het pand van binnen en van buiten te hebben bezichtigd (hetgeen zij, althans de vader van [verweerder 3] ) ook vóór 1 juni 2017 heeft gedaan) en op basis waarvan CAI het pand heeft gekocht, [verweerder 3] naar het BVO vóór 1 juni 2017 geen onderzoek deed, hij vóór totstandkoming van de koopovereenkomst op 1 juni 2017 [eiser] nooit naar het BVO heeft gevraagd, het BVO tussen CAI en [eiser] vóór 1 juni 2017 geen onderwerp was van gesprek, hij dacht zonder enig onderzoek wel van de opgave van het BVO te kunnen uitgaan, dit dus niet besprak, om welke redenen [eiser] ook niet wist en ook niet hoefde te weten van het belang van een BVO van ten minste 380 m2 voor [verweerder 3] , [eiser] niet wist van de koopovereenkomst van CAI met [betrokkene 2] met de daarin opgenomen opschortende voorwaarde ter zake het (door [betrokkene 2] verlangde) BVO van ten minste 380 m2, maar - in lijn met berichten van vóór 1 juni 2017 waarin hem werd gevraagd het koopcontract toe te sturen - uitging van een door CAI te verkrijgen bancaire financiering (waarvoor een BVO van ten minste 380 m2 niet van doorslaggevend belang hoefde te zijn).
25. Om dezelfde reden behoeft nadere motivering om begrijpelijk te zijn waarom, aldus het hof in rov. 16, voormeld antwoord bij e-mail van 31 mei 2017 op de verstrekking van de tekening met vermelding van het BVO “
dank je [eiser] voor de m2” op zich al een aanwijzing zou opleveren dat [verweerder 3] geen persoonlijk ernstig verwijt te maken van zijn vertrouwen op bekendheid bij [eiser] van het (wezenlijk) belang voor CAI van het ‘aantal m2 BVO voor CAI’. Ingevolge art. 7:17 lid 6 BW Pro vormt de vermelding van de oppervlakte slechts een aanduiding waaraan de zaak niet hoeft te beantwoorden. Ook in het licht van dit wettelijk uitgangspunt, vervat in art. 7:17 lid 6 BW Pro, behoeft nu [verweerder 3] (althans zijn vader) het pand vóór de aankoop heeft bezichtigd, geen navraag heeft gedaan naar de grootte, geen voorbehoud heeft gemaakt ter zake het verlangde BVO, en ook nog eens in de koopovereenkomst het risico van een geringer BVO op zich heeft genomen, nadere motovering waarom hij mocht vertrouwen op een BVO van ten minste 380 m2.”
[gecursiveerd en verschrijvingen in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Met de in nr. 23 van het cassatiemiddel geciteerde passage uit rov. 16 arrest overweegt het hof dat niet als persoonlijk ernstig verwijtbaar valt aan te merken dat [verweerder 3] erop heeft vertrouwd dat het voor [eiser] (als handelaar in vastgoed) duidelijk moet zijn geweest dat het aantal m2 BVO voor CAI van (wezenlijk) belang was, [43] waarbij het hof blijkens rov. 16 arrest (niet beperkt tot die weergave) betrekt:
In nr. 23 van het cassatiemiddel wordt het onder sub c. hiervoor uiteengezette buiten beschouwing gelaten. Voor zover het subonderdeel het arrest anders leest dan hiervoor weergegeven, is deze lezing (dus) onjuist en mist het daarmee feitelijke grondslag. Dit laatste geldt ook voor zover het subonderdeel in nr. 25 van het cassatiemiddel veronderstelt dat het hof in rov. 16 arrest oordeelt dat genoemd antwoord van [verweerder 3] bij e-mail van 31 mei 2017 aan [eiser] “op zich al een aanwijzing” oplevert dat niet als persoonlijk ernstig verwijtbaar valt aan te merken dat [verweerder 3] erop heeft vertrouwd dat het voor [eiser] (als handelaar in vastgoed) duidelijk moet zijn geweest dat het aantal m2 BVO voor CAI van (wezenlijk) belang was. Dat overweegt het hof immers niet in rov. 16 arrest, zoals ook hiervoor uiteengezet. Voor zover met het subonderdeel wordt betoogd - met feitelijke grondslag [45] - dat gelet op het daarin aangevoerde ’s hofs bestreden oordeel in rov. 16 arrest zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd zou zijn, loopt het subonderdeel reeds erop vast dat het hof met hetgeen het ter zake overweegt in rov. 16 arrest en de daaraan inherente waarderingen van sterk feitelijke aard, waarover hiervoor, [46] zonder nadere motivering voldoende navolgbaar maakt waarom naar zijn oordeel, met inachtneming van het partijdebat, niet als persoonlijk ernstig verwijtbaar valt aan te merken dat [verweerder 3] erop heeft vertrouwd dat het voor [eiser] (als handelaar in vastgoed) duidelijk moet zijn geweest dat het aantal m2 BVO voor CAI van (wezenlijk) belang was. Dit geldt ook als daarbij wordt betrokken wat het subonderdeel ter zake aanvoert (zie onder 3.9 en dit 3.10 hiervoor), hetgeen, wat daarvan verder zij, naar de aard en zonder meer nog niet in de weg staat aan ’s hofs bestreden oordeel in rov. 16 arrest en dat oordeel (dus) nog niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd maakt. [47] Voor zover het subonderdeel in nr. 25 van het cassatiemiddel [48] nog voortbouwt op subonderdeel Ia, dat faalt (zie onder 3.3-3.7 hiervoor), deelt het subonderdeel in het lot daarvan.
Hierop stuit het subonderdeel af.
dank je [eiser] voor de m2”, had moeten weten van het (wezenlijke) belang van “
het aantal m2 BVO voor CAI”. Deze exoneratie verliest haar gelding nog niet als [verweerder 3] er nog
geen persoonlijk ernstig verwijtbaar van valt te maken dat hijdesalniettemin erop heeft vertrouwd dat het voor [eiser] duidelijk moet zijn geweest dat het aantal m2 BVO voor CAI van (wezenlijk) belang was, zoals het hof overweegt. CAI heeft dit risico in de persoon van [verweerder 3] nadrukkelijk aanvaard. Bovendien verdraagt zich dit niet met het vonnis van 4 juli 2018 op dit punt, ter zake waarvan [eiser] zich beriep op gezag van gewijsde. Hiervoor verwijst [eiser] ook naar de algemene klacht over het passeren van het beroep op gezag van gewijsde.
29. Daarbij is ’s hofs oordeel bovendien niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd, voor zover [eiser] - nu in de zakelijke vastgoedwereld in het algemeen, en in de horeca in het bijzonder, het aantal vierkante meters een belangrijk gewicht in de schaal legt, en [verweerder 3] op de toezending van een tekening met oppervlakte vermelding, antwoordde
“dank je [eiser] voor de m2”, - had moeten weten van de precieze ondergrens van een BVO van ten minste 380 M2, nu [verweerder 3] hem hiervan niet vóór 1 juni 2017 in kennis had gesteld. Als [eiser] zich bewust had moeten zijn van het belang van het BVO voor de koper dan is dit nog geen reden waarom hij ook had moeten weten dat essentieel was dat het BVO ten minste 380 m2 bedroeg.”
[cursiveringen en verschrijvingen in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Het subonderdeel veronderstelt in nr. 27 van het cassatiemiddel dat het hof in rov. 16 arrest ervan uitgaat dat de daar in het subonderdeel bedoelde “exoneratie” (art. 6 lid 6 van Pro de koopovereenkomst) “haar gelding [verliest]”. Aldus gaat het subonderdeel daar uit van een onjuiste lezing van het arrest, waarmee het ter zake feitelijke grondslag mist. Daarvan gaat het hof immers niet uit in rov. 16 arrest, ook niet waar het overweegt dat, anders dan [eiser] betoogt, [verweerder 3] met het accepteren namens CAI van art. 6 lid 6 van Pro de koopovereenkomst met [eiser] , waarin is bepaald dat het verschil tussen de opgegeven en de werkelijke grootte geen der partijen enig recht verleent, dus niet welbewust een persoonlijk ernstig verwijtbaar en onverantwoord groot risico heeft genomen. Reeds daarop loopt het subonderdeel in zoverre vast. Het subonderdeel veronderstelt in nr. 28 van het cassatiemiddel dat het hof in rov. 16 arrest oordeelt dat “vanwege het belang van het m2 in de (zakelijke) vastgoedwereld in het algemeen, en in de horecavastgoedwereld in het bijzonder, CAI, althans [verweerder 3] , mocht vertrouwen op een BVO van ten minste 380 m2” en ervan uitgaat dat “het bepaalde in art. 7:17 lid 6 BW Pro niet meer zou gelden”, althans wordt afgedaan “aan art. 6.6 van de koopovereenkomst”. Aldus gaat het subonderdeel daar uit van een onjuiste lezing van het arrest, waarmee het ter zake feitelijke grondslag mist. Daarvan gaat het hof immers niet uit in rov. 16 arrest, ook niet met de onder 3.10 hiervoor sub a. bedoelde overweging en/of genoemde overweging waarin het hof art. 6 lid 6 van Pro de koopovereenkomst betrekt. Waarom, “[a]ls het hof zulks niet miskent”, nadere motivering zou behoeven “waarom [verweerder 3] op grond van de verstrekte tekening wel mocht vertrouwen op een BVO van minimaal 380 m2”, legt het subonderdeel in nr. 28 van het cassatiemiddel niet uit en valt zonder meer ook niet in te zien, mede gelet op de behandeling van subonderdelen Ia en Ib onder 3.3-3.10 hiervoor. Reeds daarop loopt het subonderdeel in zoverre vast. Het subonderdeel veronderstelt in nr. 29 van het cassatiemiddel dat het hof in rov. 16 arrest ervan uitgaat dat [eiser] (“nu in de zakelijke vastgoedwereld in het algemeen, en in de horeca in het bijzonder, het aantal vierkante meters een belangrijk gewicht in de schaal legt, en [verweerder 3] op de toezending van een tekening met oppervlakte vermelding, antwoordde
“dank je [eiser] voor de m2””) “had moeten weten” van “de precieze ondergrens van een BVO van ten minste 380 M2”, dat “essentieel was dat het BVO ten minste 380 m2 bedroeg”. Aldus gaat het subonderdeel ook daar uit van een onjuiste lezing van het arrest, waarmee het ter zake feitelijke grondslag mist. Daarvan gaat het hof immers niet uit in rov. 16 arrest, ook niet met de onder 3.10 sub a. en b. hiervoor bedoelde overwegingen.
Hierop stuit het subonderdeel af.
dat het voor [eiser] (...) duidelijk moet zijn geweest dat het aantal m2 BVO voor CAI van (wezenlijk) belang was”:
voor de goede orde het object bevat geen 380 m2 zoals opgegeven”, en nu hij niet voor niets een voorbehoud maakte ter zake het BVO van het pand, het betrof een serieus voorbehoud. Waar de koper, [betrokkene 2] , serieuze redenen heeft om te betwijfelen of het pand wel een BVO heeft van ten minste 380 m2, zoals door hem verlangd, hij [verweerder 3] (via zijn makelaar) van zijn aarzelingen deelgenoot maakt, zelfs (bij monde van zijn makelaar) schrijft: “
voor de goede orde het object bevat geen 380 m2 zoals opgegeven”, en om die reden een opschortende voorwaarde opneemt ter zake het BVO, behoeft nadere motivering waarom [verweerder 3] vol mocht blijven vertrouwen op een BVO van 380 m2, en ter zake geen opschortede voorwaarde hoefde af te spreken met [eiser] (en uiteindelijk het risico van de tekortkoming en het gebrek aan verhaal op [eiser] mocht afwentelen), althans waarom dit niet zou afdoen aan de overweging van het hof [verweerder 3] geen persoonlijk ernstig verwijt te kunnen maken van zijn vertrouwen op aankoop van een pand met een BVO van ten minste 380 m2.
“dat uit de e-mail van 31 mei 2017 waarin de makelaar van [betrokkene 2] de doorverkoop van het pand aan [betrokkene 2] heeft bevestigd aan CAI, blijkt dat de makelaar van [betrokkene 2] geen duidelijkheid heeft over de opgegeven maatvoering omdat deze volgens hem niet strookt met BAG en ook niet met de aangeleverde plattegrondtekening, doet aan het voorgaande niet af”- is bovendien onbegrijpelijk, nu die aansluit op de e-mail van de bewuste makelaar aan [verweerder 3] van één dag eerder waarin die onomwonden een geringer BVO van het pand dan 380 m2 vaststelt en wijst op een BAG en oppervlak conform plattegrond van respectievelijk 273 m2 en 248 m2, bij welke e-mail (ook los van die waaraan het hof refereert, maar in ieder geval samen met die e-mail) niet goed valt te begrijpen waarom - terwijl [betrokkene 2] hierin aanleiding ziet voor een serieus (naar achteraf blijkt terecht voorgestelde) opschortende voorwaarde - het vertrouwen van [verweerder 3] , in een BVO van ten minste 380 m2, naar het oordeel van het hof, geen enkele deuk heef opgelopen, althans [verweerder 3] onverkort mocht blijven vertrouwen op een BVO van 380 m2, althans hem van dit vertrouwen geen persoonlijk ernstig verwijt valt te maken, terwijl hij speculeerde, in zijn eigen woorden “gokte”, op doorverkoop, waarvan CAI als lege vennootschap voor de nakoming van haar verbintenis tot betaling van de koopsom volledig afhankelijk was.
bevat geen 380 m2, zoals opgegeven.Volgens BAG is de ruimte 273 m2 en op basis van de aangedragen plattegrondtekeningen van het pand 248 m2”.
Wat het hof in rov. 16 arrest oordeelt met zijn in nr. 31 van het cassatiemiddel geciteerde overweging, is dat de daar bedoelde e-mail van 31 mei 2017 van de makelaar van [betrokkene 2] en hetgeen het hof daarover overweegt niet afdoen aan ’s hofs oordeel in rov. 16 arrest dat niet als persoonlijk ernstig verwijtbaar valt aan te merken dat [verweerder 3] erop heeft vertrouwd dat het voor [eiser] (als handelaar in vastgoed) duidelijk moet zijn geweest dat het aantal m2 BVO voor CAI van (wezenlijk) belang was (zie onder 3.10 (waaronder sub a. t/m c.) hiervoor), wat weer onderdeel is van ’s hofs overkoepelende oordeel in rov. 16 arrest dat [verweerder 3] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt dat hij op grond van de opgave op de (in rov. 15 arrest bedoelde) tekeningen erop heeft vertrouwd dat het totale BVO van het pand ten minste 380 m2 zou bedragen (en dus voldaan zou kunnen worden aan de opschortende voorwaarde ter zake van [betrokkene 2] in de doorverkoopovereenkomst tussen CAI en [betrokkene 2] van 31 mei 2017) (zie onder 3.7 hiervoor). Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van het arrest is deze onjuist en mist het daarmee feitelijke grondslag. Voor zover met het subonderdeel wordt betoogd - met feitelijke grondslag - dat gelet op het daarin aangevoerde ’s hofs bestreden oordeel in rov. 16 arrest zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd zou zijn, loopt het subonderdeel reeds erop vast dat het hof met hetgeen het ter zake overweegt in rov. 16 arrest en de daaraan inherente waarderingen van sterk feitelijke aard, waarover onder 3.10 (waaronder sub a. t/m c.) hiervoor, [53] zonder nadere motivering voldoende navolgbaar maakt waarom naar zijn oordeel, met inachtneming van het partijdebat, de e-mail van 31 mei 2017 van de makelaar van [betrokkene 2] en hetgeen het hof daarover overweegt niet afdoen aan ’s hofs oordeel in rov. 16 arrest dat niet als persoonlijk ernstig verwijtbaar valt aan te merken dat [verweerder 3] erop heeft vertrouwd dat het voor [eiser] (als handelaar in vastgoed) duidelijk moet zijn geweest dat het aantal m2 BVO voor CAI van (wezenlijk) belang was. Dit geldt ook als daarbij wordt betrokken wat het subonderdeel ter zake aanvoert (zie onder 3.14 hiervoor), hetgeen, wat daarvan verder zij, naar de aard en zonder meer nog niet in de weg staat aan ’s hofs bestreden oordeel in rov. 16 arrest en dat oordeel (dus) nog niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd maakt. Voor zover het subonderdeel in nr. 33 van het cassatiemiddel [54] nog voortbouwt op subonderdeel Ia, dat faalt (zie onder 3.3-3.7 hiervoor), deelt het subonderdeel in het lot daarvan. Het subonderdeel bevat in nrs. 34-35 van het cassatiemiddel geen klacht(en).
Hierop stuit het subonderdeel in zoverre af.
[gecursiveerd, onderstreept en verschrijvingen in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Voor zover het subonderdeel aanvoert dat “[b]ij gegrondbevinding van (één van) van de hiervoor aangevoerde klacht(en)” ook ’s hofs overweging in rov. 16 arrest zoals bedoeld in nr. 36 van het cassatiemiddel, “die daarop voortbouwt”, niet in stand kan blijven, strandt het subonderdeel erop dat de voorafgaande klachten in subonderdelen Ia t/m Ic en dit subonderdeel Id alle falen (zie onder 3.3-3.15 hiervoor), zodat aan de voorwaarde van de onderhavige klacht niet is voldaan. Voor zover het subonderdeel aanvoert dat ’s hofs overweging in rov. 16 arrest zoals bedoeld in nr. 36 van het cassatiemiddel “daarenboven” uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting “voor zover naar het oordeel van het hof, voor bestuurdersaansprakelijkheid een persoonlijk ernstig verwijt niet voldoende is, maar [verweerder 3] “welbewust” persoonlijk ernstig verwijtbaar moet hebben gehandeld”, strandt het erop dat, anders dan het subonderdeel hier veronderstelt, het hof niet zelf uitgaat van een dergelijke rechtsregel (wat inderdaad blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting), [56] maar slechts respondeert op een betoog van [eiser] dat ertoe strekt dat [verweerder 3] , met het accepteren namens CAI van art. 6 lid 6 van Pro de koopovereenkomst, welbewust een persoonlijk ernstig verwijtbaar en onverantwoord groot risico heeft genomen. [57] Dit blijkt bijvoorbeeld niet alleen:
nietwelbewust een persoonlijk ernstig verwijtbaar en onverantwoord groot risico heeft genomen. Het subonderdeel gaat ter zake dus uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist daarmee feitelijke grondslag.
Hierop stuit het subonderdeel ook in zoverre af.
[verschrijvingen in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Met de slotzin van rov. 12 arrest [61] zoekt het hof slechts aansluiting bij de slotzin van rov. 11 arrest (weer aansluitend op rov. 10 arrest), waarin het hof, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad, memoreert dat het daar bedoelde “Beklamelcriterium”, waarop rov. 12, eerste zin arrest (toegesneden op het onderhavige geval) [62] ook is gebaseerd, in algemene zin:
Hierop stuit het subonderdeel af.
[verschrijvingen in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
In de slotzin van rov. 16 arrest tekent het hof tot slot nog aan (“Het hof tekent hierbij tot slot nog aan”, etc.) dat de daar bedoelde veronderstelling van [verweerder 3] (dus: dat tegenover [betrokkene 2] voldaan zou kunnen worden aan de voorwaarde dat het totale BVO minimaal 380 m2 bedraagt) overeenkomt met de eigen veronderstelling van [eiser] , die in zijn e-mail van 6 juni 2017 aan [verweerder 3] “toen zelf ook nog” ervan uitging dat het totale BVO van het pand minimaal 384 m2 bedraagt. Met de woorden “toen zelf ook nog” brengt het hof tot uitdrukking dat [eiser] niet alleen op 6 juni 2017 in die veronderstelling verkeerde, maar ook daarvoor al, in het bijzonder op 31 mei 2017, de dag waarop CAI van [eiser] de in rov. 15 arrest bedoelde tekeningen ontving waarop een totaal BVO van het pand van 402,7 m2 is vermeld, wat het hof dus betrekt bij de ontkennende beantwoording in rov. 16 arrest van de in rov. 16, eerste zin arrest bedoelde vraag, oftewel ’s hofs oordeel in rov. 16 arrest dat niet aangenomen kan worden dat [verweerder 3] (als bestuurder van CAI) tegenover [eiser] (als wederpartij van CAI onder de koopovereenkomst) persoonlijk ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld door ten tijde van het sluiten namens CAI van de koopovereenkomst met [eiser] op 1 juni 2017 erop te vertrouwen dat het totale BVO van het pand ten minste 380 m2 zou bedragen (en dus voldaan zou kunnen worden aan de opschortende voorwaarde ter zake van [betrokkene 2] in de doorverkoopovereenkomst tussen CAI en [betrokkene 2] van 31 mei 2017). Zie onder 3.7 hiervoor. Ik wend mij nu tot het subonderdeel.
Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof met rov. 16, slotzin arrest overweegt dat [verweerder 3] aan die e-mail van [eiser] aan [verweerder 3] van 6 juni 2017 “voorafgaand aan en ten tijde van” de totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser] op 1 juni 2017 “vertrouwen heeft kunnen ontlenen op een BVO van ten minste 380 m2” (ook al dateert deze e-mail “van ver na de totstandkoming van de twee koopovereenkomsten (die van CAI met [betrokkene 2] en vervolgens die van CAI met [eiser] op 31 mei 2017 respectievelijk 1 juni 2017)”), gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het daarmee feitelijke grondslag. Dat is immers niet wat het hof daar oordeelt. Voor zover met het subonderdeel wordt betoogd - met feitelijke grondslag - dat gelet op het daarin aangevoerde ’s hofs ontkennende beantwoording van genoemde vraag in rov. 16 arrest met inachtneming ook van rov. 16, slotzin arrest zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd zou zijn, loopt het subonderdeel reeds erop vast dat het hof met hetgeen het ter zake overweegt in rov. 16 arrest en de daaraan inherente waarderingen van sterk feitelijke aard, waarover mede onder 3.7 en 3.10 (waaronder sub a. t/m c.) hiervoor, [67] zonder nadere motivering voldoende navolgbaar maakt waarom naar zijn oordeel, met inachtneming van het partijdebat, genoemde vraag ontkennend beantwoord dient te worden. Dit geldt ook als daarbij wordt betrokken wat het subonderdeel ter zake aanvoert (zie onder 3.21 hiervoor), hetgeen, wat daarvan verder zij, naar de aard en zonder meer nog niet in de weg staat aan dat oordeel van het hof in rov. 16 arrest en dat oordeel (dus) nog niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd maakt, in lijn met het voorgaande en de behandeling van subonderdelen Ia t/m Ie onder 3.3-3.19 hiervoor.
Hierop stuit het subonderdeel af.
[verschrijvingen in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Het subonderdeel veronderstelt onder meer dat door [eiser] een beroep op gezag van gewijsde in de zin van art. 236 Rv Pro is gedaan ten aanzien van het daarin bedoelde, tussen [eiser] en CAI [69] in een ander geding gewezen vonnis van 4 juli 2018 waarover ook rov. 2 onder (xviii) arrest en rov. 20, slotzin arrest, op welk beroep het hof volgens het subonderdeel, kennelijk in rov. 16 arrest, (nader) had moeten responderen. Wat er verder zij van art. 236 Rv Pro-gerelateerde aspecten, het subonderdeel loopt reeds erop vast dat het hof blijkens het arrest, waarin het los van rov. 2 onder (xviii) arrest en rov. 20, slotzin arrest niet ingaat op genoemd vonnis:
Hierop stuit het subonderdeel af.
Tweede opschortende voorwaarde, huurovereenkomst met Bavaria met een vaste contractsduur van tenminste 5 jaar”.
[gecursiveerd en verschrijving in origineel, A-G]
In rov. 17 arrest overweegt het hof dat het evenmin persoonlijk ernstig verwijtbaar acht dat [verweerder 3] bij het sluiten namens CAI van de koopovereenkomst met [eiser] op 1 juni 2017 erop heeft vertrouwd dat voldaan zou kunnen worden aan de (door CAI in de doorverkoopovereenkomst van 31 mei 2017) tegenover [betrokkene 2] aanvaarde tweede voorwaarde, te weten dat de huurovereenkomst met Bavaria minimaal een vaste huurperiode heeft van vijf jaar. Daarbij betrekt het hof dat [verweerder 3] weliswaar een ondernemersrisico heeft genomen door eerst na het aangaan van de koopovereenkomst met [eiser] op 1 juni 2017 hiervan de bevestiging te verkrijgen, [75] maar “ook hier geldt” (het hof bouwt hier mede voort op rov. 16 arrest) dat [eiser] kennelijk “zelf ook” ervan uitging - niet alleen op 6 juni 2017, maar ook reeds ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met CAI vertegenwoordigd door [verweerder 3] op 1 juni 2017, gelijk [verweerder 3] dus - dat de huurovereenkomst met Bavaria voor die periode “door zou lopen” nu Bavaria ongeveer € 300.000,-- in het pand had geïnvesteerd, zoals aan [verweerder 3] is medegedeeld bij de mede in rov. 16, slotzin arrest bedoelde e-mail van [eiser] aan [verweerder 3] van 6 juni 2017 (zie ook rov. 2 onder (xi) arrest). Met dit laatste brengt het hof tot uitdrukking mede belang eraan te hechten dat het hier, gezien het voorliggende verwijt inzake externe bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW Pro en de vraag of [verweerder 3] ter zake persoonlijk ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [eiser] , gaat om de verhouding tussen enerzijds [verweerder 3] (als bestuurder van CAI) en anderzijds [eiser] (als schuldeiser van CAI) van welke verhouding deel uitmaakt dat dus niet alleen [verweerder 3] , maar tevens [eiser] zelf, de eigenaar van het pand en verhuurder daarvan aan Bavaria (zie rov. 2 onder (ii) arrest), [76] ook reeds ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met CAI vertegenwoordigd door [verweerder 3] op 1 juni 2017 ervan uitging dat de huurovereenkomst met Bavaria door zou lopen (in de woorden van [eiser] : “dat de huurovereenkomst gewoon (…) door zal lopen volgens de huurovereenkomst!”), [77] hetgeen in dit verband een betekenisvol mitigerend effect heeft wat betreft de aanwezigheid bij [verweerder 3] van door de ‘Beklamel’-maatstaf vereiste voorzienbaarheid van schuldeisersbenadeling zijdens [eiser] . Zie ook onder 3.5 en 3.7 hiervoor. Ik wend mij nu tot het subonderdeel.
Voor zover subonderdeel IIa.1 ervan uitgaat dat het hof met rov. 17 arrest overweegt dat [verweerder 3] “toen hij namens CAI de koopovereenkomst aanging met [eiser] op 1 juni 2017” (en “toen hij één dag eerder namens CAI met [betrokkene 2] contracteerde”) aan die e-mail van [eiser] aan [verweerder 3] van 6 juni 2017 “vertrouwen op vervulling van de opschortende voorwaarde van een huuroverkomst van Bavaria met een vaste contractduur van tenminste nog vijf jaar, heeft kunnen ontlenen” (ook al dateert deze e-mail “van ruimschoots na de totstandkoming van de koopovereenkomst tussen CAI en [betrokkene 2] op 31 mei 2017 en tussen CAI en [eiser] op 1 juni 2017” ), gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het daarmee feitelijke grondslag. Dat is immers niet wat het hof daar oordeelt. Voor zover subonderdeel IIa.1 - met feitelijke grondslag - klaagt dat rov. 17 arrest “te meer onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd” is “nu CAI voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst met [betrokkene 2] en een dag later met [eiser] niet heeft geïnformeerd naar de huurovereenkomst met Bavaria, maar CAI (dus [verweerder 3] , de enig bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap zonder verdere werknemers) daarentegen vóór totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser] al wist van de opschortende voorwaarde”, ziet het subonderdeel eraan voorbij dat het hof deze omstandigheden in rov. 17 arrest kenbaar niet negeert, maar gezien het voorgaande ontoereikend acht om ter zake tot een ander oordeel te komen, wat zonder meer niet als onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend gemotiveerd voorkomt (zie hiervoor), en waarbij nog moet worden bedacht dat ’s hofs analyse in rov. 17 arrest logischerwijs insluit dat als [verweerder 3] voorafgaand aan het sluiten namens CAI van de koopovereenkomst met [eiser] op 1 juni 2017 had geïnformeerd bij [eiser] naar (het doorlopen van) de huurovereenkomst met Bavaria (vanwege de door CAI in de doorverkoopovereenkomst jegens [betrokkene 2] aanvaarde tweede voorwaarde dat de huurovereenkomst met Bavaria minimaal een vaste huurperiode heeft van vijf jaar), [eiser] hem ter zake langs dezelfde lijn had geïnformeerd als in zijn e-mail van aan [verweerder 3] van 6 juni 2017, zoals uitgelegd door het hof in rov. 17 arrest. Voor zover subonderdeel IIa.1 overigens nog een beroep doet op het vonnis van 4 juli 2018 en gezag van gewijsde (art. 236 Rv Pro) daarvan in het onderhavige geding, waaronder de slotzin van het subonderdeel, strandt het in het voetspoor van subonderdeel Ig, waarover onder 3.23-3.24 hiervoor. Dit laatste geldt ook voor subonderdeel IIa.2, wat geen verdere toelichting behoeft.
Hierop stuiten de subonderdelen af.
Ik heb geen ondertekende overeenkomst voorde mogelijkheid om tussentijds op te zeggenper 23 juli 2020 (dan moet er opgezegd worden voor 23 juni 2019) (…)”, onderstreping [betrokkene 8] .
51. Als een van de hiervoor geformuleerde klachten opgaat, dan kunnen ook de hierop voortbouwende rechtsoverwegingen 22 tot en met 24 niet in stand blijven.”
[gecursiveerd, onderstreept en verschrijvingen in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Het subonderdeel start in nr. 49 van het cassatiemiddel vanuit de veronderstelling dat het hof in rov. 17 arrest niet uitgaat van het juiste peilmoment, want eraan voorbijziet dat ter zake:
[verschrijving in origineel, A-G]
Hierop stuit het subonderdeel af.
Persoonlijk ernstig verwijtbaar nalaten”.
[gecursiveerd in origineel, A-G]
te veronderstellen dat de doorverkoop niet zou slagen”, nu voldoende is dat [verweerder 3] er ernstig rekening mee moest houden dat de doorverkoop niet zou slagen. Van een persoonlijk ernstig verwijt is niet pas sprake is als [verweerder 3] ook echt aanleiding had om “
te veronderstellen dat de doorverkoop niet zou slagen”. Voldoende is het als hij ernstig rekening had moeten houden met een beroep van [betrokkene 2] op de met hem overeengekomen opschortende voorwaarden, waarmee de koopovereenkomst niet in werking zou treden, dus geen ‘doorgang’ zou vinden. Het hof legt hier een te streng criterium aan; niet pas als de bestuurder een niet doorgaan van de doorverkoop moest veronderstellen, maar als hij hiermee ernstig rekening moest houden, ontstaat bestuurdersaansprakelijkheid. Het oordeel van het hof getuigt voorts van een onjuiste rechtsopvatting voort zover voor bestuurdersaansprakelijkheid slechts plaats is als voormelde aanleiding direct na totstandkoming van de koopovereenkomst zou ontstaan, en niet als die zich pas later zou voordoen.”
[gecursiveerd en verschrijvingen in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Na in rov. 20 arrest mede op grond van rov. 9-19 arrest tot de slotsom te zijn gekomen dat het door [eiser] aan [verweerder 3] gemaakte ‘Beklamel’-verwijt geen doel treft, beoordeelt het hof in rov. 21-24 arrest, aldus rov. 21 arrest, het betoog van [eiser] :
[verschrijving in origineel, A-G]
[verschrijving in origineel, A-G]
Het subonderdeel betoogt vooreerst dat het hof in rov. 23, eerste zin arrest uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het hof daar eraan voorbijziet dat voor het aannemen van externe bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW Pro van [verweerder 3] (als bestuurder van CAI) jegens [eiser] (als schuldeiser van CAI) hier “voldoende is” dat [verweerder 3] “er ernstig rekening mee moest houden dat de doorverkoop niet zou slagen”, oftewel als “hij ernstig rekening had moeten houden met een beroep van [betrokkene 2] op de met hem overeengekomen opschortende voorwaarden, waarmee de koopovereenkomst niet in werking zou treden, dus geen ‘doorgang’ zou vinden”, oftewel:
te veronderstellen dat de doorverkoop niet zou slagen””, gecursiveerd in origineel, A-G] direct na totstandkoming van de koopovereenkomst zou ontstaan, en niet als die zich pas later zou voordoen.”
Hierop stuit het subonderdeel af.
Voor de goede orde het object[waarmee wordt bedoeld het pand, toevoeging [betrokkene 8] ]
bevat geen 380 m2 zoals opgegeven”, waaraan hij toevoegde: “
volgens BAG is de ruimte 273 m2 en op basis van de aangedragen plattegrondtekeningen van het pand 248 m2”, waarna op 31 mei 2017 - dus vóór de totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser] - in de e-mail van 31 mei 2017, waarmee de overeenkomst tussen CAI en [betrokkene 2] werd vastgelegd, werd gerefereerd aan voormelde incongruentie tussen de toelichting op de opgegeven maatvoering en de BAG alsook de aangeleverde plattegrondtekening, en CAI vóór totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser] geen onderzoek en geen navraag had gedaan naar het BVO alsook naar de vraag of de huurovereenkomst met Bavaria voor het pand nog tenminste een vaste contractsduur van vijf jaar zou hebben.
Het betoog van het subonderdeel in nr. 55 van het cassatiemiddel, onder verwijzing naar wat voorafgaand aan het sluiten door [verweerder 3] namens CAI met [eiser] van de koopovereenkomst op 1 juni 2017 al dan niet zou zijn gebeurd, ziet onder meer eraan voorbij dat het hof in rov. 20 arrest (mede op basis van rov. 9-19 arrest), in cassatie zonder vrucht bestreden, [86] reeds tot de slotsom komt “dat niet aangenomen kan worden dat [verweerder 3] bij het sluiten van de koopovereenkomst met [eiser] wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat CAI haar verplichtingen uit deze koopovereenkomst niet zou kunnen nakomen” (naar het hof ook memoreert in rov. 22 arrest). Reeds gelet daarop kan hetgeen het subonderdeel in nr. 55 van het cassatiemiddel daartoe aanvoert niet meebrengen, anders dan het subonderdeel daar klaagt, dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd zou zijn waarom, aldus het hof in rov. 23, eerste zin arrest, “ [verweerder 3] na totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser] niet direct aanleiding had om ‘te veronderstellen dat de doorverkoop niet zou slagen’.” Het betoog van het subonderdeel in nr. 56 van het cassatiemiddel loopt reeds erop stuk:
[gecursiveerd, onderstreept en verschrijving in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Het subonderdeel bevat in nr. 57 van het cassatiemiddel geen klacht. Voor zover het subonderdeel in nr. 58 van het cassatiemiddel veronderstelt dat het hof in rov. 23 arrest oordeelt dat [verweerder 3] “mocht menen [betrokkene 2] een document te kunnen tonen waaruit blijkt van een vaste huurperiode voor Bavaria van ten minste nog vijf jaar” (zonder de mogelijkheid van tussentijdse opzegging van de huurovereenkomst), [93] en klaagt dat dit oordeel vanwege het in het subonderdeel aangevoerde “nadere motivering [behoeft]”, gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het daarmee feitelijke grondslag. Het hof oordeelt niet in die zin, noch in rov. 17 arrest noch (voortbouwend daarop) in rov. 23 arrest. Het hof oordeelt wel, voor zover hier relevant:
Hierop stuit het subonderdeel ook in zoverre af.
[verschrijving in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Het subonderdeel, dat nogal ingewikkeld is geformuleerd en (ook) daarbinnen een repeterend karakter heeft, komt erop neer dat het oordeel van het hof in rov. 23 arrest dat [verweerder 3] na totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser] niet direct aanleiding zou hebben gehad om “een mislukking van de doorverkoop aan [betrokkene 2] ” te veronderstellen (te veronderstellen “dat de doorverkoop niet zou slagen”) niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd, omdat het hof daar niet (kenbaar) in zijn beoordeling betrekt de in het subonderdeel bedoelde e-mails van [eiser] aan CAI van 13 juni 2017 en van [betrokkene 3] (de makelaar van [betrokkene 2] ) aan [betrokkene 1] van 22 juni 2017, en voor zover [verweerder 3] eerder nog geen reden had om ernstig rekening te houden met een beroep door [betrokkene 2] op de opschortende voorwaarde(n), of een mislukking van de doorverkoopovereenkomst met [betrokkene 2] nog niet hoefde te veronderstellen, dit laatste wel het geval was bij ontvangst van die e-mail van 13 juni 2017 althans die e-mail van 22 juni 2017. Voor zover het subonderdeel al uitgaat van een juiste lezing van het arrest, [100] en dus feitelijke grondslag heeft, ziet het vooreerst eraan voorbij dat er voor het hof geen aanleiding bestond die e-mails van 13 juni 2017 en 22 juni 2017 (welke e-mails het hof beziet in rov. 2 onder (xiii) arrest [101] en rov. 2 onder (xiv) arrest) [102] nog weer nader te betrekken in rov. 23 arrest, nu deze e-mails, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel aldaar, naar de aard niet afdoen aan de door [eiser] in zijn e-mail aan CAI ( [verweerder 3] ) van 6 juni 2017 gedane mededeling (die op 13 juni 2017 en 22 juni 2017 nog steeds stond) dat, zoals verwoord door het hof in rov. 23 arrest (aansluitend op rov. 17 arrest en rov. 2 onder (xi) arrest), hij - dus [eiser] - ervan uitgaat dat de huurovereenkomst met Bavaria “door zou lopen” (dus minimaal beslaand zo’n huurperiode van vijf jaar) omdat Bavaria ongeveer € 300.000,-- in het pand heeft geïnvesteerd, waarover onder 3.30 en 3.32 hiervoor. Dit is reeds fataal voor het subonderdeel, omdat daarmee ook de bodem wegvalt onder het vervolg van de motiveringsklacht: deze e-mails van 13 juni 2017 en 22 juni 2017 brengen (dus) nog niet mee dat het hof in rov. 23 arrest niet (voldoende) begrijpelijk motiveert waarom voor [verweerder 3] (direct) na totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser] geen aanleiding bestond om een mislukking van de doorverkoop aan [betrokkene 2] te veronderstellen, waaraan nog zij toegevoegd dat voor zover het subonderdeel daarbij veronderstelt dat voor het aannemen van externe bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW Pro van [verweerder 3] (als bestuurder van CAI) jegens [eiser] (als schuldeiser van CAI) hier voldoende is dat [verweerder 3] “ernstig rekening had moeten houden met een beroep op de opschortende voorwaarden” (“opschortende voorwaarde(n))” zijdens [betrokkene 2] , dit ten onrechte is, zoals volgt uit 3.38 hiervoor (en in het verlengde daarvan uit 3.5 hiervoor).
Hierop stuit het subonderdeel af.
een hypothecaire geldlening bij een bank te vragen (zoals door [eiser] gesteld), dan wel in de verkrijging daarvan niet is geslaagd (zoals door [verweerder 3] gesteld), achter het hof niet zodanig onzorgvuldig dat [verweerder 3] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, gelet op de (zeer) korte periode die nog resteerde tussen het afhaken van [betrokkene 2] op 15 juli 2017 en de met [eiser] overeengekomen leverdatum[van, A-G]
27 juli 2017”.
[gecursiveerd en verschrijvingen in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Het subonderdeel wijst onder meer op nr. 53 van de memorie van antwoord, [104] dat luidt als volgt:
productie 15).” [105] [vetgedrukt in origineel, A-G].
4.27 Nergens blijkt uit dat [verweerder 3] tijdens het
due diligenceonderzoek (ten behoeve) van [betrokkene 2] pogingen heeft ondernomen een alternatieve bancaire financiering te verkrijgen teneinde een zekere financiering achter de hand te hebben voor het geval de onzekere financiering in de vorm van de transactie met [betrokkene 2] geen doorgang zou vinden.
4.28 Ook blijkt nergens uit dat [verweerder 3] toen op 11 juli 2017 duidelijk was dat niet aan de voorwaarden van de koop met [betrokkene 2] kon worden voldaan alsnog moeite heeft gedaan voor het einde van de zes weken termijn (als bedoeld in artikel 13 van Pro de Koopovereenkomst) een (bancaire) financiering te verkrijgen. Dit alles kan [verweerder 3] worden verweten en hiervan kan hem een ernstig verwijt te worden gemaakt. Hij had in deze onzekere situatie moeten, en eenvoudig kunnen, anticiperen door een alternatieve (zekere) bancaire financiering te regelen voor het geval de koop met [betrokkene 2] onverhoopt geen doorgang zou vinden.”
[gecursiveerd en verschrijving in origineel, A-G]
Cai zal [het pand] zien te verkopen voor 1.8 mio.” [106] Dit is om twee redenen een relevante mail. In de eerste plaats, omdat [verweerder 3] in de zekerheid dat [betrokkene 2] als koper was afgehaakt als de wiedeweerga de gesprekken over een bancaire financiering had moeten hervatten. [verweerder 3] had vanaf dat moment nog twee weken tot aan de leveringsdatum die met [eiser] was afgesproken (27 juli 2017) en had binnen dit tijdsbestek alsnog een financiering kunnen regelen, zodat CAI aan haar afname- en betalingsverplichting jegens [eiser] had kunnen voldoen. (…) Deze verplichting [“[e]en dergelijke inspanningsverplichting”, dus om binnen dat tijdsbestek alsnog zo’n financiering te regelen, A-G] is geschonden. Sterker, [verweerder 3] heeft verklaard dat hij de gesprekken met de bank heeft afgekapt toen [betrokkene 2] in beeld kwam. Daarmee heeft [verweerder 3] ervoor gezorgd dat CAI haar (inspannings)verplichting niet nakwam. Dat is aan [verweerder 3] toe te rekenen en ernstig (persoonlijk) verwijtbaar. Het lag in de rede dat [verweerder 3] meerdere financieringsaanvragen zou hebben gedaan, zodat hij (ten minste) een bancaire financiering achter de hand had om de koopsom te betalen.
(…)
[gecursiveerd in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
(…)
15. Achteraf bezien had CAI wellicht kritischer kunnen (maar niet moeten!) zijn en meer moeten aandringen op het zelf kunnen laten opmeten van het pand. Een opmeting die overigens telkenmale afgehouden werd door [eiser] en die uiteindelijk ‘heimelijk’ heeft plaatsgevonden. En toen, op 11 juli 2017, kwam de spreekwoordelijke aap ook pas uit de mouw: de meters weken flink af van de opgegeven metrage. Dus niet, zoals [eiser] uw Hof wenst te doen geloven, al op 31 mei 2017 toen (door)koper [betrokkene 2] een voorbehoud maakte. Toen was er nog geen reden tot twijfel. Die kwam pas op 11 juli 2017.
16. Pas op dit moment, dus pas op het moment dat duidelijk kwam vast te staan dat de metrage niet klopte, was het dat de puzzelstukjes voor CAI niet meer op hun plaats vielen: die vierkante meters bleken niet overeen te komen, [eiser] had een ondermaatclausule opgenomen in de overeenkomst met CAI en de kopers van CAI hadden op hun beurt een opschortende voorwaarde opgenomen in het contract met CAI.
17. Op dat moment had CAI nog twee dagen om elders financiering te regelen voordat het financieringsbehoud (op 13 juli 2017) zou verstrijken en helaas is het niet gelukt elders financiering te regelen. Daar was, voordat de meting was verricht, ook geen enkele aanleiding (of verplichting!) toe vanwege de omstandigheid dat [betrokkene 2] en CAI wilsovereenstemming hadden bereikt.”
[zonder verwijzing in origineel, A-G]
Toen het duidelijk werd dat [betrokkene 2] zich terugtrok, heb ik in de daaropvolgende twee dagen allerlei banken gebeld met de vraag of financiering mogelijk was. Ik heb hier getuigen van: mijn vader en vriendin [betrokkene 9] . Ik heb allerlei banken gebeld omtrent een financiering, maar als men een vastgoed-/ verhuurhypotheek wil regelen, moet daarvoor 15/20% eigen inbreng geregeld worden.Wij waren daarom blij met de voorfinanciering door [betrokkene 2] en ik had het idee dat we daarmee goed gedekt waren.
De banken die ik gebeld heb, vertelden mij dat de financiering binnen twee dagen onrealistisch was. Ook de 15/20% inbreng maakte het moeilijk.Dit is de reden waarom CAI is beboet. Ook de afgelopen weken heb ik hypotheekaanvragen gedaan, o.a. bij Hypotheek Unie, opdat [eiser] betaald wordt.”
Bezien tegen deze achtergrond, waaruit blijkt dat voor het hof onmiskenbaar gegeven was dat tussen partijen ( [eiser] en [verweerders] ) niet ter discussie stond dat op
11juli 2017 zijdens CAI ( [verweerder 3] ) duidelijk werd dat [betrokkene 2] afhaakte (welk afhaken van [betrokkene 2] vervolgens door [betrokkene 1] bij e-mail van 15 juli 2017 aan [eiser] is medegedeeld), in lijn waarmee [verweerder 3] ook verklaarde ten overstaan van het hof, [107] staat m.i. buiten redelijke twijfel dat ’s hofs verwijzing in rov. 23, slotzin arrest naar 15 juli 2017 (“het afhaken van [betrokkene 2] op 15 juli 2017”) een kennelijke verschrijving betreft, [108] aldus dat waar daar “15” juli 2017 staat het hof
11juli 2017 voor ogen heeft en dit dus zo (het afhaken van [betrokkene 2] op 11 juli 2017) gelezen dient te worden. Daarbij betrek ik ook ’s hofs daaraan voorafgaande verwijzing in rov. 23, slotzin arrest naar de stelling van [eiser] (“(zoals door [eiser] gesteld)”) “[d]at [verweerder 3] als bestuurder van CAI heeft nagelaten om na het afhaken van [betrokkene 2] alsnog een hypothecaire geldlening bij een bank te vragen” en de stelling van [verweerder 3] (“(zoals door [verweerder 3] gesteld)”) dat hij “in de verkrijging daarvan niet is geslaagd” (waarop het hof vervolgens respondeert in het vervolg van rov. 23, slotzin arrest), wat aansluit op het partijdebat zoals hiervoor weergegeven, waarin [eiser] en [verweerder 3] (c.s.) dus onder meer zijn uitgegaan van
11juli 2017 (niet 15 juli 2017) als de dag waarop het afhaken van [betrokkene 2] aan onder anderen [verweerder 3] duidelijk werd. Dit is bovendien ook niet de enige kennelijke verschrijving door het hof wat betreft data: op p. 1 van het arrest verwijst het hof naar een tussen partijen gewezen vonnis van 14 februari 2018, waar 14 november 2018 door het hof is bedoeld (dit zo gelezen dient te worden), en in rov. 12 arrest verwijst het hof naar het sluiten door [verweerder 3] namens CAI van de koopovereenkomst met [eiser] op 1 juli 2017, waar 1 juni 2017 door het hof is bedoeld (dit zo gelezen dient te worden). Ook hier is duidelijk dat het gaat om vergissingen van het hof (hetzelfde geldt voor ‘s hofs verwijzing naar “de memorie van grieven” van [verweerders] in rov. 16 arrest en “de doorverkoop aan [verweerder 3] ” van het pand in rov. 21 arrest). Gelet op dit een en ander (gaat het subonderdeel ter zake uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het daarmee feitelijke grondslag en) rechtvaardigt het hier door het subonderdeel aangevoerde nog niet de conclusie dat ’s hofs oordeel in rov. 23, slotzin arrest zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd. Dat, zoals het subonderdeel nog aanvoert, [verweerder 3] “eerder te kennen had gegeven zeker een financiering te zullen kunnen verkrijgen”, en [verweerders] “niet aanvoerden in de verkrijging van de financiering niet te hebben kunnen slagen, maar stelden daarvoor niet meer voldoende tijd te hebben, en daarom geen poging meer te hebben ondernomen om die alsnog te verkrijgen”, laat reeds naar de aard ’s hofs redenering in rov. 23, slotzin arrest onverlet en gaf het hof (dus) geen aanleiding dat oordeel nog weer nader te motiveren, zodat dit genoemde conclusie evenmin rechtvaardigt - ook niet als dit wordt gevoegd bij het daaraan voorafgaande in het subonderdeel, waarover hiervoor. [109] Overigens valt zonder meer ook niet in te zien, en het subonderdeel legt verder ook niet uit, [110] , [111] waarom ’s hofs redenering in rov. 23, slotzin arrest [112] zonder nadere motivering, die ontbreekt, opeens niet (voldoende) begrijpelijk zou zijn bij een paar extra werkdagen in de periode tussen het afhaken van [betrokkene 2] (op 11 juli 2017) en de met [eiser] overeengekomen leverdatum (van 27 juli 2017). Ook dan valt nog te spreken van zo’n “(zeer) korte periode”, zoals bedoeld door het hof.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Van [verweerder 3] te verlangen zorgplicht c.q. inspanningsverplichting”.
[gecursiveerd in origineel, A-G]
[zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Het subonderdeel veronderstelt dat het hof in rov. 24 arrest uitgaat:
Hierop stuit het subonderdeel af.
66. Als het hof in de hierboven geciteerde rov. 24 bedoelt dat bestuurdersaansprakelijkheid nooit kan voortvloeien uit een nalaten van een bestuurder om zich (naar behoren) in te spannen ter verkrijging van financiering om de vennootschap in staat te stellen te voldoen aan een verbintenis tot betaling van een koopsom uit een (door de bestuurder namens haar gesloten) koopovereenkomst, althans geen verplichting bestond voor CAI dan wel [verweerder 3] om zich in te spannen ter verkrijging van financiering, ook al was bancaire financiering gemakkelijk te verkrijgen, en ook al zou de vennootschap, CAI, zonder bancaire financiering als [betrokkene 2] zich op een opschortende voorwaarde zou beroepen de koopprijs niet kunnen betalen, en geen verhaal kunnen bieden, en ook al was vóór totstandkoming van de koopovereenkomst een kredietaanvraag bij een zakenbank toegezegd, althans op zijn minst gesuggereerd, en is bancair krediet bij de handel in (zakelijk) vastgoed niet ongebruikelijk, is ’s hofs oordeel in zijn absoluutheid, zijn stelligheid, rechtens onjuist, nu zich wel degelijk situaties laten denken - zoals de onderhavige - waarin bestuurdersaansprakelijkheid kan ontstaan als een bestuurder, tevens enig aandeelhouder, nalaat zich (naar behoren) in te spannen om bancair (hypothecair) krediet te verkrijgen waarmee de vennootschap, waarvoor dit anders onmogelijk zou zijn, in staat wordt gesteld te voldoen aan verbintenis tot betaling uit een door de bewuste bestuurder voor zijn vennootschap gesloten koopovereenkomst. Dit oordeel is in zijn algemeenheid, zijn ongenuanceerdheid, onjuist. Het hof had dan ook moeten nagaan of op [verweerder 3] bestuursaansprakelijkheid rust door zich niet (voldoende) in te spannen ter verkrijging van bancaire financiering.”
[verschrijvingen in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
In het door het subonderdeel in nr. 65 van het cassatiemiddel bedoelde Hoge Raad-arrest is onder meer het volgende overwogen: [117]
(…)
het hof heeft miskend dat de vraag of voor een schuld van de vennootschap door middel van executiemaatregelen verhaal op haar kan worden genomen, niet samenvalt met die of de vennootschap tot betaling van die schuld in staat is. Het uitgangspunt van deze klacht is juist: de betaling van een schuld behoeft immers niet noodzakelijk te geschieden uit voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, maar kan ook plaatsvinden uit gelden die de vennootschap ter beschikking staan krachtens een bestaande of nog te verkrijgen kredietfaciliteit; niet uitgesloten is dat degene die de volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, jegens de betreffende schuldeiser onrechtmatig handelt door na te laten ervoor te zorgen dat van deze mogelijkheden gebruik wordt gemaakt.In hoeverre het hof zulks heeft miskend kan in het midden blijven, nu vernietiging reeds wegens de gegrondheid van eerstvermelde klacht moet volgen en het onderhavige aspect na verwijzing nog aan de orde kan komen.”
[cursivering toegevoegd, A-G]
Het subonderdeel bevat in nr. 66 van het cassatiemiddel wel een klacht, erop neerkomend dat ’s hofs oordeel in rov. 24 arrest “in zijn absoluutheid, zijn stelligheid, rechtens onjuist [is]”, “in zijn algemeenheid, zijn ongenuanceerdheid, onjuist [is]”, als het hof daar oordeelt, kort gezegd, dat bestuurdersaansprakelijkheid nooit kan voortvloeien uit een nalaten van een bestuurder om zich (naar behoren) in te spannen ter verkrijging van financiering om de vennootschap in staat te stellen te voldoen aan een verbintenis tot betaling van een koopsom uit een (door de bestuurder namens haar gesloten) koopovereenkomst, althans geen verplichting bestond voor CAI dan wel [verweerder 3] om zich in te spannen ter verkrijging van financiering, ondanks het daarbij door [eiser] aangevoerde zoals bedoeld in het subonderdeel. Het hof “had dan ook moeten nagaan of op [verweerder 3] bestuursaansprakelijkheid rust door zich niet (voldoende) in te spannen ter verkrijging van bancaire financiering”, aldus de slotzin van het subonderdeel aldaar. Het subonderdeel gaat daarmee in de eerste plaats uit van een onjuiste lezing van het arrest, en mist daarmee feitelijke grondslag. In rov. 24 arrest doet het hof niet meer dan responderen op het daar voorliggende betoog van [eiser] “dat [verweerder 3] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt omdat hij de in artikel 13 lid 1 jo Pro 13 lid 2 van de koopovereenkomst vastgelegde inspanningsverplichting cq zorgplicht heeft geschonden”, welk betoog het hof verwerpt omdat de in art. 13 leden Pro 1-2 van de koopovereenkomst bedoelde situatie [119] zich hier niet voordoet [120] (en deze bepaling niet een ruimere reikwijdte heeft, in de zin zoals door [eiser] wordt betoogd dat op CAI in algemene zin de verplichting rustte om voor een bancaire financiering te zorgen), waarbij het hof nog aantekent:
Hierop stuit het subonderdeel af.
Bewerken of toelaten dat CAI haar verplichtingen niet nakomt, frustratie van verhaal”.
[gecursiveerd in origineel, A-G]
[verschrijving in origineel, zonder verwijzing in origineel, A-G]
Ik begin met het citeren van rov. 25-27 arrest:
Het bewerkstelligen of toelaten dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt (frustratie van verhaal)
[gecursiveerd in origineel, A-G]
Het subonderdeel komt erop neer dat voor zover het hof - in lijn met de rechtbank in rov. 4.6 eindvonnis - oordeelt (kennelijk in rov. 26-27 arrest) dat, reeds nu de koopovereenkomst voor de appartementsrechten tussen CAI en [betrokkenen 5 en 6] vooraf ging aan de koopovereenkomst tussen CAI en [eiser] , niet valt in te zien waarom de levering van de appartementsrechten aan Bricks per 5 december 2017 zou hebben plaatsgevonden met het doel om [eiser] te benadelen, dit oordeel, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) zou zijn gemotiveerd. Het subonderdeel loopt reeds erop vast dat, zoals volgt uit rov. 26-27 arrest, naar ’s hofs oordeel hoe dan ook gelet op al het daarin overwogene in onderling(e) verband en samenhang bezien [125] het door [eiser] aangevoerde zoals samengevat weergegeven in rov. 25 arrest verworpen dient te worden, welk oordeel van het hof - dat die conclusie overigens kan dragen - door het subonderdeel niet wordt bestreden (terwijl ook subonderdeel Vb faalt, waarover onder 3.63-3.64 hierna). Daarbij zij nog aangetekend dat de rechtbank in rov. 4.6 eindvonnis [126] niet overweegt, en het hof dit dus evenmin overneemt in rov. 26-27 arrest, dat reeds nu de koopovereenkomst voor de appartementsrechten tussen CAI en [betrokkenen 5 en 6] vooraf ging aan de koopovereenkomst tussen CAI en [eiser] (dus vanwege die enkele omstandigheid) niet valt in te zien waarom de levering van de appartementsrechten aan Bricks per 5 december 2017 zou hebben plaatsgevonden met het doel om [eiser] te benadelen. De rechtbank betrekt daarbij immers tevens in rov. 4.6 eindvonnis, zoals het hof ook signaleert in rov. 26 arrest, dat er reeds toen (dus in de koopovereenkomst voor de appartementsrechten tussen CAI en [betrokkenen 5 en 6] ) was voorzien in de mogelijkheid dat de appartementsrechten te zijner tijd aan een ander dan aan CAI zouden worden geleverd, of in de woorden van het hof in rov. 26 arrest:
Hierop stuit het subonderdeel af.
[verschrijving in origineel, zonder verwijzingen in origineel, A-G]
De overweging in rov. 26 arrest die het subonderdeel bestrijdt als niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd, luidt als volgt:
De rechtbank heeft in dit verband verder van belang geacht dat [verweerders] hebben toegelicht dat de ‘nader te noemen meester-clausule’ - anders dan [eiser] suggereert - bewust en dus niet toevallig in de koopovereenkomst terecht is gekomen. Ten tijde van het sluiten van die overeenkomst was nog niet duidelijk aan welke partij de appartementsrechten zouden worden geleverd, maar wel dat levering aan CAI niet de bedoeling was. De aankoop van de appartementsrechten betrof een investering: de appartementen zouden worden gerenoveerd en het doel was om die na renovatie met winst te verkopen. [verweerders] hebben aangevoerd dat potentiële investeerders te kennen hadden gegeven dat het oprichten van een separate vennootschap een voorwaarde was voor de financiering van de aankoop van de appartementsrechten. Ter onderbouwing van deze stelling hebben [verweerders] verwezen naar een brief van [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] ) van makelaarskantoor MCI Globex van 19 april 2017 (vonnis r.o. 4.7). [verweerders] hebben toegelicht dat de ‘nader te noemen meester-clausule’ daarmee verband hield, Bricks om die reden is opgericht, en de appartementsrechten daarom ook aan Bricks en niet aan CAI zijn geleverd (vonnis r.o. 4.8).De rechtbank heeft tot slot in r.o. 4.10 het betoog van [eiser] verworpen dat CAI moet worden geacht de koop met betrekking tot de appartementsrechten voor zichzelf te hebben gesloten, aangezien CAI de identiteit van de nader te noemen meester niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 3:67 BW Pro kenbaar heeft gemaakt.”
[cursivering toegevoegd, A-G]
Het subonderdeel doet beroep op een aantal stellingen van partijen in feitelijke instanties, die ik langsloop.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Ontvankelijkheidsverweer van [verweerders]
met slotsomtot verwerping van het cassatieberoep, kosten rechtens” als afronding [vetgedrukt in origineel, A-G]. Zij brengen bij schriftelijke toelichting (die vier pagina’s beslaat) primair een ontvankelijkheidsverweer naar voren in relatie tot het cassatiemiddel van [eiser] , [137] waarna zij in hun repliek (die eveneens een pagina beslaat) “in aanvulling op de opmerkingen in hun schriftelijke toelichting over het cassatiemiddel tevens” bezwaar maken tegen hetgeen [eiser] bij schriftelijke toelichting nog heeft aangevoerd. Ik besteed aan dit ontvankelijkheidsverweer nog kort aandacht.
Ill Slotsom: het cassatiemiddel voldoet niet
[onderstreept en verschrijving in origineel, A-G]