ECLI:NL:GHDHA:2020:2554
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- J.T. Sanders
- U.E. Tromp
- W.M.G. Visser
- Rechtspraak.nl
Sociaal-culturele vrijstelling omzetbelasting voor schuldenbewindvoering en schuldhulpverlening
Belanghebbende, een onderneming die schuldenbewindvoering en schuldhulpverlening verricht, was in geschil met de Inspecteur over de toepassing van de sociaal-culturele vrijstelling van de omzetbelasting. De Rechtbank had het beroep van belanghebbende grotendeels ongegrond verklaard, waarbij de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen werden gehandhaafd, behalve voor de boete over het derde kwartaal 2015. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het Hof stelde vast dat de werkzaamheden van belanghebbende, gezien de aard, inhoud en samenhang, als eenheid moeten worden beschouwd en kwalificeerden deze als diensten van schuldhulpverlening die nauw samenhangen met maatschappelijk werk. Het Hof verwierp het standpunt van de Inspecteur dat de vrijstelling niet van toepassing zou zijn vanwege mogelijke concurrentieverstoring en dat de bewijslast daarvoor bij belanghebbende zou liggen.
Het Hof vernietigde de naheffingsaanslagen en bepaalde dat de vrijstelling van toepassing is op de werkzaamheden van belanghebbende. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed. Het Hof zag geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.
De uitspraak benadrukt dat de sociaal-culturele vrijstelling strikt wordt uitgelegd, maar dat de specifieke werkzaamheden van schuldenbewindvoering en schuldhulpverlening van belanghebbende binnen deze vrijstelling vallen, mede door hun maatschappelijke karakter en het ontbreken van aanwijzingen voor concurrentieverstoring.
Uitkomst: Het Hof vernietigt de naheffingsaanslagen en oordeelt dat de werkzaamheden van belanghebbende onder de sociaal-culturele vrijstelling van de omzetbelasting vallen.