In deze civiele procedure staat een geschil centraal over de schadevergoeding na de sluiting van café Zoop in mei 2006 en de rechtsgeldigheid van door appellant gelegde beslagen. Appellant verzocht het hof om het eindarrest aan te vullen met een beslissing over zijn vordering tot vergoeding van schade geleden na de sluiting van het café. Het hof oordeelde dat deze schade reeds in eerdere arresten was beoordeeld en afgewezen, waarbij de waardedaling van de aandelen Zoop B.V. en de goodwillwaarde centraal stonden. Het hof handhaafde het oordeel dat appellant geen schade had geleden door de sluiting in 2006.
Geïntimeerde verzocht het hof om alsnog te beslissen over zijn vorderingen tot opheffing van de door appellant gelegde beslagen en tot verbodsoplegging om nieuwe beslagen te leggen, alsmede om de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof oordeelde dat geïntimeerde niet ontvankelijk is in zijn vorderingen tot opheffing en verbodsoplegging, omdat deze vorderingen pas in hoger beroep waren ingesteld en niet eerder waren beoordeeld. De vordering tot uitvoerbaarheid bij voorraad van de kostenveroordeling werd toegewezen, aangezien hiertegen geen verweer was gevoerd.
Het arrest is gewezen door de rechters Frieling, Ruijpers en Groos en uitgesproken op 1 december 2020. Het hof wees het verzoek van appellant af, verklaarde geïntimeerde niet ontvankelijk in zijn vorderingen tot opheffing en verbodsoplegging, en verklaarde de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.