Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 26 februari 2020
[appellante],
[geïntimeerde], h.o.d.n. [naam],
Verloop van het geding in hoger beroep
Beoordeling van het hoger beroep
permanent make up(pmu). [geïntimeerde] is specialiste op dit gebied en verzorgt in haar salon ook opleidingen tot ‘pmu-specialist’. Daarnaast biedt zij reguliere schoonheidsbehandelingen aan .
“Ik heb jou contract binnen!!”). Voor zover thans van belang, luidt deze overeenkomst als volgt:
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Op maandag 24 september 2018 heeft cliënte u mondeling laten weten dat zij de samenwerking met u niet langer wilde voortzetten. Voordat cliënte hier nog iets aan kon toevoegen, heeft u geantwoord dat u er toch geen zin meer in had en zei u: “ik stop ermee”. Vervolgens heeft u de sleutels ingeleverd en bent u naar huis gegaan.
willendoen eindigen en
zoukomen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst nog niet is geëindigd, zal gelden dat de arbeidsovereenkomst doorloopt zonder dat van u verlangt wordt nog werkzaamheden te verrichten. (…).
Artikel 2
Gedurende de eerste maand van deze dienstbetrekking, geldt een proeftijd in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Gedurende deze proeftijd kunnen partijen de overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen.
“zie ik ook allemaal rare mailtjes dat je een vacature eruit hebt gegooid en dat je wilt stoppen met mij dus ja. Vertel nou maar gewoon eerlijk hoe je over mij denkt”. Duidelijk is ook dat [geïntimeerde] hierdoor aanvankelijk is verrast. Dit laat echter onverlet dat zij vervolgens na de mededeling: “
Ja daarom ook dit gesprek vandaag”aan [appellante] in niet mis te verstane bewoordingen uitlegt dat zij haar veel meer dan verwacht moet inwerken en ondersteunen – niet alleen op het gebied van pmu, maar ook op het gebied van de ondersteunende en administratieve werkzaamheden waarop [appellante] zich in eerste instantie zou richten – en dat zij daarvoor simpelweg geen tijd heeft. Wanneer [geïntimeerde] vervolgens aangeeft dat ze dit
“sowieso vandaag”wilde vertellen en [appellante] dit invult met de vraag:
“dat je niet meer met mij verder wilt?”, antwoordt zij hierop volmondig en zonder enig voorbehoud met:
“ja”. Naar het oordeel van het hof laat dit zich niet anders duiden dan een mededeling van [geïntimeerde] dat zij de arbeidsrelatie voortijdig en zo spoedig mogelijk wenste te beëindigen. Voor zover al aannemelijk is dat dit niet haar bedoeling was, heeft in elk geval te gelden dat [appellante] dit zonder meer als een opzegging door [geïntimeerde] heeft kunnen en mogen opvatten, zeker nu in het verdere verloop van het gesprek afspraken worden gemaakt over de praktische afhandeling van de arbeidsrelatie (inleveren spullen, afrekening gewerkte uren en brief voor het UWV) en [geïntimeerde] vervolgens in de brief van 28 september 2018 door haar advocaat laat mededelen dat er verder geen gebruik meer zal worden gemaakt van de diensten van [appellante].