Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 14 april 2020
[Accountants] B.V.,
[naam 1] ,
Verloop van het geding in hoger beroep
Beoordeling van het hoger beroep
“Artikel 5.concurrentiebeding
nahet einde van zijn dienstverband ‘op zekere wijze werkzaam te zijn’. Een verbod tot concurrerende handelingen of nevenwerkzaamheden
tijdenshet dienstverband valt daarmee niet onder de werking van dit artikel en dus ook niet onder het bereik van, kort gezegd, de AVM-arresten. In zoverre is de kantonrechter dan ook terecht uitgegaan van de geldigheid van het beding van artikel 5.
‘in enige vorm vestigen van een zaak gelijk of aanverwant of gelijkwaardig aan die van werkgever’en de bewoordingen
‘zich, direct of indirect, financieel in zodanig bedrijf te interesseren’laten zich niet anders lezen dan een verbod om, kort gezegd, een eigen accountantskantoor te starten of te investeren (bijvoorbeeld door het toetreden als vennoot) in een nieuw of reeds bestaand kantoor. Het in loondienst treden bij een ander kantoor valt daar niet onder. Feiten en omstandigheden dat dit destijds (bij het aangaan van het beding) niettemin wel zo is bedoeld en dat [geïntimeerde] dit redelijkerwijs ook zo heeft moeten begrijpen, zijn niet gesteld en ook niet anderszins gebleken. Het hof wijst er hierbij op dat de eis dat een concurrentiebeding schriftelijk wordt vastgelegd om gelding te hebben, rechtvaardigt dat bij de uitleg ervan zo dicht mogelijk bij de tekst wordt gebleven. Grief 3 treft dus evenmin doel.
Beslissing
12 mei 2020voor akte aan de zijde van [X B.V.] als omschreven in r.o. 30.