Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 12 mei 2020
[naam 1] ,
Stichting Vestia,
De procedure in hoger beroep
- het procesdossier in eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 20 november 2018 waartegen [appellante] hoger beroep heeft ingesteld (hierna te noemen: het vonnis);
- de appeldagvaarding van 18 februari 2019;
- het tussenarrest van dit hof van 19 maart 2019, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- het proces-verbaal van de comparitie, gehouden op 15 april 2019;
- de memorie van grieven van 9 juli 2019;
- de memorie van antwoord van 20 augustus 2019;
- de schriftelijke pleidooien van de advocaten van partijen van 29 oktober 2019.
Beoordeling van het hoger beroep
Huurder zal het gehuurde gedurende de huurtijd als zijn hoofdverblijf hebben en het gehuurde als woonruimte gebruiken voor hem en de leden van zijn huishouden”.
1. Het is huurder niet toegestaan het gehuurde geheel in gebruik te nemen als bedrijfsruimte.
1. Het is huurder niet toegestaan het gehuurde geheel onder te verhuren of in gebruik te geven aan derden.
(…)
(…)
Grief Ivan [appellante] is gericht tegen de vaststelling door de kantonrechter in rov. 1.4 van het vonnis dat duivenhokken op het dak van de schuur waren geplaatst. [appellante] wijst erop dat het slechts om één duiventil ging. Bij deze grief heeft [appellante] geen belang omdat het hof de feiten opnieuw heeft vastgesteld en daarbij heeft verwezen naar foto’s waaruit blijkt dat op het dak van de schuur een (grote) duiventil heeft gestaan en dat deze is verwijderd (vgl. rov. 3 van dit arrest, onder (vi) en (xi)).
grief IIkomt [appellante] op tegen rovv. 1.5 en 4.2 van het vonnis, waarin de kantonrechter heeft overwogen dat de foto’s overgelegd door Vestia zijn gemaakt bij het bezoek aan de woning op 23 maart 2018 en dat [appellante] de juistheid van wat die foto’s weergeven niet heeft betwist. [appellante] voert aan dat zij tijdens het bezoek zelf niet in de woning aanwezig was en dus ook niet weet of de door Vestia overgelegde foto’s bij dat bezoek zijn gemaakt. Verder stelt zij het niet eens te zijn met wat de kantonrechter overweegt met betrekking tot deze foto’s.
Grieven III, IV en Vzijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] in strijd heeft gehandeld met haar verplichting om de woning uitsluitend als woonruimte te gebruiken en daar haar hoofdverblijf te hebben. De kantonrechter heeft dat oordeel gebaseerd op de door Vestia overgelegde foto’s. Daaruit heeft de kantonrechter afgeleid dat een ruimte in de woning onmiskenbaar was ingericht als bar, waar volgens de waarnemingen van [de medewerker] en de wijkagent ten tijde van hun bezoek meerdere personen aanwezig waren.
ingerichtals bar, niet de conclusie dragen dat de woning (niet als woonruimte maar) als bar werd
gebruikt. Ook de aanwezigheid van meerdere personen in de woning ten tijde van het bezoek van [de medewerker] en de wijkagent is daarvoor niet voldoende. [naam 2] was in de woning aanwezig in verband met klussen die hij voor [appellante] uitvoerde en werd daarbij geholpen door kennissen. Overigens volgt uit artikel 12 van Pro de algemene voorwaarden niet dat de woning
uitsluitendals woonruimte dient te worden gebruikt. Verder had [appellante] wel degelijk haar hoofdverblijf in de woning. Dat blijkt uit de foto’s die [appellante] heeft overgelegd. Op zijn minst hadden die foto’s voor de kantonrechter aanleiding moeten zijn om aan de stellingen van Vestia te twijfelen. De kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat het bed dat op die foto’s is te zien deels voor een gesloten deur staat. Die deur kan gewoon worden gebruikt, omdat het bed kan worden opgeklapt. De verklaring [naam 2] dat [appellante] alleen vóór het aangaan van de huurovereenkomst bij hem heeft gewoond is door de kantonrechter ten onrechte als vaag afgedaan. [appellante] betwist ook dat er overlast was en dat daarover klachten zijn ontvangen die aanleiding vormden voor bezoek aan de woning.
de woning leek ingericht als café”. Het kan [appellante] worden toegegeven dat de algemene voorwaarden betrekking hebben op het gebruik van de woning en niet op de inrichting, maar het feit dat de woning was
ingerichtals café annex duivenclub is een belangrijke aanwijzing dat de woning ook als zodanig werd
gebruikt. De wijkagent heeft verder verklaard dat er geen bed in de woning stond en dat [naam 2] heeft gezegd dat [appellante] tijdelijk bij hem woonde. Dat wijst er op dat [appellante] de woning niet als woonruimte gebruikte (en daar niet haar hoofdverblijf had). Dat de wijkagent dit niet in een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal heeft verklaard, doet vooralsnog voor het hof niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring, die strookt met hetgeen op de foto’s is te zien en ook met hetgeen de sociaal beheerder heeft waargenomen. Bij het beeld dat de woning niet als woonruimte maar als café annex duivenclub werd gebruikt, past ook dat zich op 23 maart 2018 naast [naam 2] nog drie andere mannen in de woning ophielden, die aan de bar zaten, bier dronken en sigaretten rookten. De foto’s die [appellante] heeft overgelegd doen (vooralsnog) niet af aan dit – voorlopige – oordeel. Die foto’s zijn immers op een later tijdstip gemaakt.
grief VIvan [appellante] . De gevolgen van ontbinding van de huurovereenkomst voor [appellante] leiden niet tot een ander oordeel. Als verhuurder van sociale huurwoningen heeft Vestia er een zwaarwegend belang bij dat haar woningen als woonruimte worden gebruikt door haar doelgroep, te weten woningzoekenden met een smalle beurs die ingeschreven staan in het woningzoekendensysteem. [appellante] had zich moeten realiseren dat het gebruik van de woning als café annex duivenclub en/of het hebben van haar hoofdverblijf elders, voor Vestia aanleiding zou zijn de huurovereenkomst te (laten) ontbinden. Zij dient daar in het voorkomende geval de gevolgen van te dragen.