In deze zaak gaat het om het hoger beroep van [appellant] tegen Dexia Nederland BV inzake de vernietiging van effectenleaseovereenkomsten 6 en 7 uit 1998 en 1999. De overeenkomsten zijn tussentijds beëindigd waarbij [appellant] de aandelen heeft overgenomen, die later zijn verkocht. De verkoopprijs van een deel van de aandelen is echter niet volledig bekend.
De kantonrechter had geoordeeld dat Dexia geen terugbetalingsverplichting had voor overeenkomsten 6 en 7 omdat de teruglevering van aandelen niet mogelijk was en de verkoopprijs niet kon worden vastgesteld. [Appellant] betwist dit en stelt dat Dexia hem een bedrag verschuldigd is, berekend op basis van verschillende waardebepalingen van de aandelen.
Het hof oordeelt dat de waardebepaling moet plaatsvinden op het moment van verkoop van de aandelen, niet op het moment van overname. Omdat de verkoopdatum van de Ahold-aandelen niet vaststaat, wordt uitgegaan van de hoogste koers in de periode 2 mei 2003 tot 2010. Dexia moet aan [appellant] betalen wat hij heeft voldaan minus ontvangen dividenden en de waarde van de aandelen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het vonnis vernietigd voor zover het de terugbetalingsverplichting betreft.