Belanghebbende, eigenaar van een bedrijfspand met meerdere winkelruimtes en een kantine, betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van €1.703.000 en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting. Na een uitspraak van de Rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Hof.
Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde aannemelijk had gemaakt met een taxatierapport, waarin vergelijkbare panden en marktgegevens waren opgenomen. De door belanghebbende aangevoerde lagere huurprijs uit een contract tussen gelieerde partijen werd niet als representatief beschouwd. Ook de gebruikte kapitalisatiefactor van 9,5 werd door het Hof bevestigd, mede gelet op het leegstandsrisico en de grootte van het pand.
Daarnaast werd geoordeeld dat de hoorzitting correct was verlopen en dat de heffingsambtenaar aan zijn verplichtingen inzake het tijdig overleggen van het taxatieverslag had voldaan. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase was niet overschreden, zodat geen vergoeding voor immateriële schade werd toegekend.
Gelet op deze overwegingen bevestigde het Hof de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.