Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 9 februari 2021
[appellante] , in haar hoedanigheid van
[overledene],
[geïntimeerde] Makelaars B.V.,
Samenvatting
Het verloop van de procedure in hoger beroep
Beoordeling van het hoger beroep
hof) tot verkoop van het hiervoor omschreven onroerend goed wenst over te gaan partij ter ene zijde ( [ex-vrouw overledene] ,
hof) gedurende haar leven het recht van voorkeur heeft het perceel aan te kopen voor de som van tachtigduizend gulden (f.80.000,-), mits een maand tevoren aan partij ter andere zijde schriftelijk daarvan mededeling gedaan hebbende, dat zij van dit recht van voorkeur gebruik wenst te maken;
hof].
primair, tot een schadevergoeding van € 40.000,- (de door [appellante] aan [ex-vrouw overledene] betaalde afkoopsom,
hof) met rente dan wel,
subsidiair, tot een vergoeding van schade, nader op te maken bij staat;
grief 3). Verder heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte overwogen dat [geïntimeerde] niet gehouden was om te controleren hoe het zat met het recht op koop van [ex-vrouw overledene] en dat dat de verantwoordelijkheid van [appellante] was (
grief 5).
grief 2.
grief 6, kan niet zonder meer worden aangenomen dat haar schade ten minste € 40.000,- bedraagt, te weten het bedrag waarvoor zij het terugkooprecht heeft afgekocht. Dat gegeven betreft immers slechts de feitelijke situatie (1), die moet worden vergeleken met de hypothetische situatie (2), waarover nu juist geen duidelijkheid bestaat. Het hof verwerpt
grief 6dan ook.
grieven 7 en 8, die zich richten tegen het oordeel van de rechtbank in onderdeel 3.2.4 van het tussenvonnis dat [appellante] geen schade heeft geleden, slagen dan ook niet.
grieven 1 en 4gegrond zouden worden bevonden, zou dat niet tot een andere uitkomst leiden. Om die reden laat het hof een bespreking ervan achterwege.
Grief 9slaagt, voor zover [appellante] daarmee klaagt dat de rechtbank ten onrechte in onderdeel 3.4 van het tussenvonnis heeft overwogen dat [geïntimeerde] niet is tekortgekomen in de nakoming van haar verbintenissen. [appellante] voert met
grief 9verder aan dat de rechtbank de vordering ten onrechte ook niet heeft toegewezen op de subsidiaire grondslag dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Het hof komt aan deze subsidiaire grondslag niet toe, nu het hof de vordering tot verklaring voor recht al op de primaire grondslag toewijst. Voor de vordering met betrekking tot buitengerechtelijke kosten geldt dat daarover op de subsidiaire grondslag niet anders valt te oordelen dan op de primaire grondslag, zodat [appellante] in zoverre geen belang heeft bij de grief.
Grief 10komt op tegen de proceskostenveroordeling. Deze grief slaagt in zoverre dat de rechtbank had moeten bepalen dat elk van partijen de eigen kosten moet dragen, omdat zij over en weer op enige wezenlijke punten in het ongelijk worden gesteld.