ECLI:NL:GHDHA:2021:2112
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning en afwijzing schadevergoeding in hoger beroep
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar appartement en de daaraan gekoppelde aanslagen onroerendezaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing. Na een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam die het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
Het taxatierapport van de gemeente, gebaseerd op vergelijkingsobjecten binnen hetzelfde appartementencomplex, toonde een WOZ-waarde van €286.000 aan. De rechtbank en het hof oordeelden dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede door waardedrukkende factoren zoals ligging en afwerking adequaat te verwerken.
Belanghebbende voerde aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende stukken had overgelegd en dat de waarde te hoog was vastgesteld, maar deze bezwaren werden niet gegrond verklaard. Ook het verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade en een dwangsom werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en eerdere behandeling in een andere procedure.
Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 6 oktober 2021 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €286.000 bevestigd.