Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 23 november 2021
[X] te [Z] , belanghebbende,
de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Geschil
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, een Rijnvarende met Nederlandse nationaliteit en woonachtig in Nederland, was in 2016 werkzaam aan boord van een binnenschip eigendom van een Nederlands bedrijf en in dienst van een werkgever in Liechtenstein. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op, waarbij de verrekening van in Liechtenstein betaalde sociale premies met Nederlandse premies werd geweigerd. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat verrekening mogelijk was op grond van artikel 73 van Pro de Toepassingsverordening en dat het belastbaar loon te hoog was vastgesteld omdat de buitenlandse premies in aftrek moesten komen.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het Hof bevestigde dat de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing is, waardoor slechts de wetgeving van één Rijnoeverstaat geldt. De artikelen 6, 16 en 73 van de Toepassingsverordening bieden geen rechtsgrond voor verrekening van buitenlandse premies in dit geval. Tevens oordeelde het Hof dat artikel 3.16, lid 9, Wet IB 2001 niet ziet op het belastbaar loon maar op belastbare winst, zodat aftrek van buitenlandse premies op het loon niet mogelijk is.
Wel werd geoordeeld dat belanghebbende op grond van artikel 3.84, lid 2, Wet IB 2001 recht heeft op een vrijstelling van 1,2% van het totale buitenlandse loon op grond van de werkkostenregeling. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en het bezwaar, stelde het belastbaar inkomen vast op € 23.386 en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt het vonnis van de Rechtbank, vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van € 23.386 en wijst de proceskostenvergoeding toe.