ECLI:NL:GHDHA:2021:2357
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verzekerings- en premieplicht Rijnvarende met A1-verklaring en verrekening buitenlandse premies
Belanghebbende, een varend personeelslid met Nederlandse nationaliteit, werkte in 2016 voor een werkgever in Liechtenstein en was verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen op grond van een onherroepelijke A1-verklaring van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De Inspecteur legde aanslag IB/PVV op zonder verrekening van buitenlandse sociale premies. Belanghebbende stelde dat verrekening van Liechtensteinse premies met Nederlandse premies mogelijk moest zijn en dat het belastbaar loon verminderd moest worden met deze premies.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het Hof oordeelt dat de Inspecteur gebonden is aan de A1-verklaring en dat de verzekerings- en premieplicht in Nederland terecht is vastgesteld. Artikel 73 van Pro de Toepassingsverordening biedt geen grondslag voor verrekening van buitenlandse premies in deze situatie. Ook is geen wettelijke grondslag voor aftrek van buitenlandse premies op het belastbaar loon aanwezig.
Wel is op grond van artikel 3.84, lid 2, Wet IB 2001, een vrijstelling van 1,2% van het loon van toepassing wegens de werkkostenregeling, wat leidt tot een vermindering van het belastbaar inkomen. Het Hof vernietigt de eerdere uitspraken, vermindert het belastbaar inkomen en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: Het Hof vernietigt eerdere uitspraken, vermindert het belastbaar inkomen en veroordeelt de Inspecteur in proceskosten en griffierecht.