Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 30 november 2021
Stichting Vestia,
[geïntimeerde] ,
Het geding
- de processtukken uit eerste aanleg, waaronder het vonnis van 10 januari 2020 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam;
- de appeldagvaarding van Vestia van 3 februari 2020;
- de memorie van grieven van Vestia, met producties;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met producties;
- het tussenarrest van 25 augustus 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de producties 11-19 zijdens Vestia;
- de producties 12-14 zijdens [geïntimeerde] .
De zaak in het kort
Beoordeling van het hoger beroep
‘Maak een analyse van de bijzondere situatie op Zuid en de aangrijpingspunten voor interventies en strategiebepaling. Het gaat om een integraal onderzoek waarbij het uitgangspunt is dat de problematiek wordt gekeerd door middel van een samenhangende systeemaanpak.’
‘Zuid kent een omvangrijke stapeling van sociaal-economische problemen in het zwakste deel van de woningmarkt in Nederland. Deze stapeling van problemen is qua omvang en intensiteit ongekend op Nederlandse schaal.’In het advies is verder opgenomen dat onder meer de deelgemeente Feijenoord laag scoort op de veiligheidsindex. Ten aanzien van de woningvoorraad staat in het advies (pagina 8):
`Er zijn aanzienlijke problemen op Zuid. Er is sprake van een zeer omvangrijke, kwetsbare, gestapelde woningvoorraad en de omvang en/of de kwaliteit van de buitenruimte laat op veel plaatsen te wensen over. In verschillende wijken wonen gezinnen in (te) kleine en verouderde woningen. (…).’
‘De woningmarkt in de regio Rotterdam valt te betitelen als imperfect. De woningvoorraad op Zuid kenmerkt zich door een lage en dalende WOZ-waarde, een lage druk op de woningmarkt, eenzijdige goedkope en kwetsbare voorraad en een overmaat aan particuliere verhuurders en verouderd particulier bezit. (…). De ambitie en de opgave is fors: we verbeteren of vervangen 1/3 van de woningvoorraad op Zuid in ongeveer 20 jaar (35.000 woningen waarvan ongeveer 12.000 corporatiewoningen en 23.000 particuliere woningen) en de bijbehorende buitenruimte. Hiervoor komen kwalitatief veel betere woningen terug die veel meer differentiatie in de woningvoorraad op Zuid zullen brengen.’
Vooral de woningen in de Tweebosbuurt en de Transvaalbuurt zijn slecht.’
‘Vestia heeft de door u gehuurde woning dringend nodig voor eigen gebruik, nu het vernieuwingsproject van de Tweebosbuurt met zich meebrengt dat de door u gehuurde woning wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Daarom kunnen wij de huurovereenkomst met u niet voortzetten.
- De vordering van Vestia is toewijsbaar als Vestia aannemelijk maakt dat zij de woning zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, dat van haar, de belangen van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en ook blijkt dat de huurder andere passende woonruimte kan krijgen (rov. 5.4);
- Sloop is erkend als vorm van eigen gebruik. Het enkele feit dat de verhuurder wil overgaan tot de uitvoering van een bouw- en renovatieplan kan echter geen grond opleveren voor het aannemen van dringend eigen gebruik. Het doel van stedenbouwkundige ontwikkeling is geen belemmering voor het aannemen van dringend eigen gebruik, als er sprake is van een exploitatietekort. Maar stedenbouwkundige ontwikkeling kan op zich zelf, zonder bijkomende omstandigheden, geen grond voor dringend eigen gebruik zijn (rov. 5.5-5.7);
- Vestia heeft aan de opzegging geen financiële redenen ten grondslag gelegd en ook de bouwkundige staat van de woningen speelt geen rol (rov. 5.8);
- De sloop van de Tweebosbuurt komt in de Samenwerkingsovereenkomst (november 2018) uit de lucht vallen. De bouwkundige staat speelt in deze procedure geen rol en de plannen voor de Tweebosbuurt volgen niet zo vanzelfsprekend uit de rapporten vanaf 2011 als door Vestia voorgesteld. Er is weliswaar sprake van problematiek op Rotterdam Zuid, maar deze problematiek geeft Vestia niet zonder meer de bevoegdheid om de woningen te slopen en nieuwbouw te realiseren (rov. 5.13-5.14);
- De bewoners zijn op geen enkele wijze en op geen enkel moment daadwerkelijk in het voortraject betrokken en zij hebben niet of nauwelijks hulp gekregen bij het vinden van een andere woning (rov. 5.16);
- Vestia heeft niet kunnen uitleggen waarom een herstructureringsplan dat voorziet in een afname van het aanbod van sociale huurwoningen met 347 woningen, met haar taak in overeenstemming is (rov. 5.17);
- Vestia heeft er onvoldoende blijk van gegeven dat het grondrecht op huisvesting voldoende is gewaarborgd. De politieke steun die Vestia aanvoert, acht de kantonrechter niet overtuigend (rov. 5.18 en 5.19);
- Er is niet gebleken dat er passende woonruimte beschikbaar is voor alle bewoners die in een juridische procedure betrokken zijn. Dat komt omdat dezelfde woningen telkens aan meerdere bewoners zijn aangeboden. Bovendien is de sloop van de woningen ten onrechte als een voldongen feit gepresenteerd (rov. 5.20);
- Per saldo kunnen de huidige herstructureringsplannen de strenge toets van het dringend eigen gebruik niet doorstaan (5.22).
- De grieven 1 tot en met 6 zijn gericht tegen het beoordelingskader dat de kantonrechter heeft gebruikt en meer specifiek tegen het oordeel dat uitsluitend stedenbouwkundige motieven, zonder exploitatietekort, geen dringend eigen gebruik kunnen opleveren;
- Met de grieven 7 tot en met 10 voert Vestia aan dat zij wel degelijk bouwtechnische motieven en belangen heeft bij de sloop en nieuwbouw van de woningen;
- In de grieven 11 tot en met 19 gaat Vestia nader in op de sociaaleconomische, stedenbouwkundige en volkshuisvestelijke motieven voor de herstructureringsplannen;
- De grieven 20 en 21 bestrijden het oordeel van de kantonrechter dat Vestia onvoldoende overleg met bewoners heeft gevoerd;
- Met grieven 22 en 23 gaat Vestia in op de (inmiddels ontstane) financiële belangen die zij heeft bij sloop en nieuwbouw;
- De grieven 24 tot en met 26 bestrijden het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de hulp bij het vinden van andere, geschikte woonruimte en een terugkeermogelijkheid/terugkeergarantie;
- In de grieven 27 tot en met 29 gaat Vestia in op de overwegingen van de kantonrechter over de Grondwet en de taak van Vestia op grond van de Woningwet;
- Grief 30 gaat in op de vraag of er andere passende woonruimte voor [geïntimeerde] beschikbaar is;
- Grief 31 heeft betrekking op de communicatie van de gemeente Rotterdam en Vestia met de bewoners;
- Grief 32 is gericht tegen de afwijzing van de vordering als zodanig en de proceskostenveroordeling.
Van Helsdingen/Klein(HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0683, NJ 2010/190) overwogen:
Traas/Oudeman(HR 6 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0541, NJ 1993/583) en
Van Peski/ Nieuw Amsterdam(HR 3 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2065, NJ 1996/655)
.In het eerste arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat bij beantwoording van de vraag of het afbreken van een woning heeft te gelden als dringend eigen gebruik, doorslaggevend is of aan het in stand houden van de woning voor de verhuurder zodanige kosten zijn verbonden dat, mede in aanmerking genomen de waarde van de woning en de uit de verhuur nog te verkrijgen opbrengsten, het maken daarvan in redelijkheid van een verhuurder niet kan worden gevergd. In het tweede arrest is die regel in die zin uitgebreid dat van dringend eigen gebruik ook kan worden gesproken indien een woning deel uitmaakt van een bepaald bestand van woningen waarvan de exploitatie als geheel aanzienlijke verliezen oplevert. De Hoge Raad voegde daaraan toe dat dit niet anders wordt ‘
indien die exploitatieverliezen hun oorzaak vinden in stedebouwkundige gebreken en sociale problemen van het gebied waarin het woningbestand is gelegen, en dat de sloop mede ten doel heeft ter plaatse stedebouwkundige en sociale verbeteringen tot stand te brengen.’
Lenderink/Woningstichting(HR 8 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4313, NJ 1982, 445), dat de voorloper van artikel 7:272 lid 1 BW Pro de rechter niet iedere bevoegdheid ontneemt om zijn beschikking tot vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen en de ontruiming moet plaatsvinden, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Wanneer de huurder alleen of hoofdzakelijk met het doel de beëindiging van de huur uit te stellen, rechtsmiddelen tegen een rechterlijke beslissing aanwendt, kan de rechter zijn beslissing wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren. In de rechtspraak is voorts aanvaard dat in een situatie waarin nog slechts een zeer gering aantal woningen in een flatgebouw werden bewoond en een redelijk beheer van de nog bewoonde woningen veel kosten en moeite voor de verhuurder zou meebrengen, terwijl bij de voorgenomen sloop algemene belangen van volkshuisvesting op het spel stonden, en voorts een passende woning voor de huurders beschikbaar was, een redelijke uitleg van (de voorloper van) artikel 7:272 lid 1 BW Pro meebrengt dat het artikel niet aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de weg kan staan (HR 3 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2065, NJ 1996/655).
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- bepaalt dat de huurovereenkomst tussen Vestia en [geïntimeerde] met betrekking tot de woning aan de [adres] te Rotterdam zal eindigen op 1 maart 2022;
- veroordeelt [geïntimeerde] om de woning aan de [adres] te Rotterdam uiterlijk op 1 maart 2022 te ontruimen en te verlaten, met alle goederen en al de personen die zijdens [geïntimeerde] in de woning verblijven en de woning ter vrije en algehele beschikking van Vestia te stellen, met afgifte van de sleutels aan Vestia;
- bepaalt dat [geïntimeerde] recht heeft op een verhuiskostenvergoeding van € 6.334,-;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Vestia tot op 10 januari 2020 begroot op € 124,- aan griffierecht, € 101,06 aan explootkosten en € 500,- aan salaris advocaat;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Vestia tot op heden begroot op € 760,- aan griffierecht, € 102,96 aan explootkosten en € 3.342,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.