Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 24 augustus 2021
[appellante],
[geïntimeerde],
Waar de zaak over gaat
Procesverloop in hoger beroep
- het exploot van 25 juni 2020 waarbij [appellante] in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen eindvonnis van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2020;
- de memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis (met producties);
Het hof doet uitspraak bij vervroeging.
Feiten
‘This loan agreement is made by and among Mrs. [appellante] (…) (herinafter known as “Borrower”) and Mrs. [geïntimeerde] (hereinafter known as “Lender”). (…)
Clause 1.The borrower has borrowed from the lender amounting to Euro 58,345 (…), and, the borrower had received the accurate loan under this Loan Agreement from the lender at the time of their signatures.
Clause 2.The lender does not charge the borrower any interest rate.
Clause 3.The borrower agreed to pay back the accurate loan under this Loan Agreement within December 31, 2013. (…)
Clause 4.The occurrence of failure to any clauses of this Loan Agreement shall constitute a Default by the borrower. The borrower is required to be responsible for all damages suffered by the lender as a result of the borrower’s Default, including the cost of notice, demand, litigation and enforcement of loan.
Clause 5.(…) The borrower has understood the terms in this Loan Agreement as a whole and signed by presence of witnesses.’
Procedure bij de rechtbank
Beoordeling in hoger beroep
Eisvermeerdering
subsidiair) vordert dat de overeenkomst alsnog wordt vernietigd. Tegen deze eisvermeerdering heeft [geïntimeerde] zich niet verzet, zodat het hof uitgaat van de eis zoals vermeerderd.
Grief I
primairaan dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, [appellante] geen geld heeft geleend van [geïntimeerde], maar dat [geïntimeerde] geld heeft ingelegd in (de pot van) het spel via [appellante] als beheerder. Volgens verschillende getuigenverklaringen kan deelname aan het spel worden gezien als een investering door de deelnemers en hoewel de beheerder een morele verplichting kan voelen om het spel in goede banen te leiden en eventuele tekorten aan te vullen, is dit geen verplichting van de beheerder, aldus [appellante]. Zij stelt dat het nooit haar wil is geweest om een overeenkomst van geldlening af te sluiten met [geïntimeerde]: haar wil was er slechts op gericht om, op verzoek van [geïntimeerde], schriftelijk vast te leggen voor welk bedrag zij participeerde in het spel. [geïntimeerde] was bekend, althans moet geacht worden bekend te zijn met de regels van het spel, aldus [appellante]. Naar zij stelt, stemden haar wil en verklaring dus niet overeen en heeft [geïntimeerde] er niet gerechtvaardigd op kunnen vertrouwen dat zij een overeenkomst van geldlening wilde aangaan. [appellante] beroept zich in dat verband op nietigheid, dan wel vernietigbaarheid van de overeenkomst op de voet van artikel 3:33 BW Pro.
Subsidiairvoert [appellante] aan dat [geïntimeerde] misbruik heeft gemaakt van de abnormale geestestoestand en positie van geldnood waarin [appellante] verkeerde ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van geldlening. In dat verband beroept zij zich op vernietigbaarheid van de overeenkomst op grond van artikel 3:44 lid 4 BW Pro. Het Thaise restaurant van [appellante] draaide in die tijd financieel slecht. Het was voor [appellante], naar zij stelt, van cruciaal belang dat het spel doorgang zou blijven vinden en dat alle deelnemers hun financiële verplichtingen zouden nakomen. Aangezien zij als beheerder optrad, voelde zij de morele verplichting om het spel – binnen haar mogelijkheden – tot een goed einde te brengen. Dit zorgde voor een zeer stressvolle periode waarin zij ook minder goed in staat was om haar eigen belangen afdoende te behartigen, aldus [appellante]. Volgens haar is het daarmee evident dat sprake was van een economische en geestelijke dwangpositie; indien [geïntimeerde] niet meer aan het spel zou deelnemen door de inleg te stoppen, zou [appellante] niet de middelen hebben om het spel door te laten gaan door de inleg van [geïntimeerde] (overigens onverplicht) voor te schieten. Toen [geïntimeerde] haar uitnodigde om naar de ambassade te komen, heeft [appellante] haar van dienst willen zijn. Daar werd haar gevraagd de door [geïntimeerde] opgestelde overeenkomst, die [appellante] toen voor het eerst onder ogen kreeg, te ondertekenen, waarbij bovendien twee prominente leden van de Thaise gemeenschap aanwezig waren en waardoor zij nog meer druk ervoer. Daarnaast is volgens [appellante] voldaan aan het voor misbruik van omstandigheden geldende vereiste dat [geïntimeerde] een klaarblijkelijk onevenredig groot voordeel voor zichzelf heeft bedongen, omdat door het sluiten van de overeenkomst het volledige risico van deelname aan het spel bij [appellante] lag.
Meer subsidiair, voor het geval het hof oordeelt dat de overeenkomst niet nietig of vernietigbaar is, stelt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat zij het geld van [geïntimeerde] heeft ontvangen. Zij heeft immers het geld niet van [geïntimeerde] geleend en het geld is ook niet in haar eigen vermogen gevloeid. Dan kan van haar niet worden verlangd dat zij het terugbetaalt, aldus nog steeds [appellante]. Zij wijst erop dat de bewijslast dat zij het bedrag heeft ontvangen niet op haar rust, maar op [geïntimeerde].
Kwalificatie van de overeenkomst
Gerechtvaardigd vertrouwen op wilsovereenstemming?
Misbruik van omstandigheden?
(Bewijs van) ontvangst geld
Grief II