Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 16 maart 2021
Imeko Holding N.V.,
[geïntimeerde],
Het geding
13 juli 2018 waarbij het arrest van het hof Amsterdam is vernietigd en de zaak is verwezen naar hof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.
mr. Anema voornoemd, allen aan de hand van pleitnotities die tot de gedingstukken behoren. Vervolgens is arrest gevraagd.
De beoordeling
Artikel 1818.1. De leden van de directie worden benoemd door de algemene vergadering, die hen te allen tijde kan schorsen en ontslaan.
(…)
18.6. (…) Ingeval van belet of ontstentenis van alle leden van de directie is de raad van commissarissen voorlopig met het bestuur belast; de raad van commissarissen is alsdan bevoegd om een of meer tijdelijke bestuurders aan te wijzen. Ingeval van ontstentenis neemt de raad van commissarissen zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen teneinde een definitieve voorziening te doen treffen.
18.7. De raad van commissarissen stelt het salaris, het eventuele tantième en de verdere arbeidsvoorwaarden van de leden van de directie vast.
(…)
Artikel 23De algemene vergadering kan aan de commissarissen een beloning toekennen. Kosten worden hun vergoed.’
f15.000,-- per jaar per lid naar € 10.000,-- per jaar per lid en € 12.000,-- voor de voorzitter. Tijdens deze vergadering is vervolgens de enig bestuurder van Imeko, [bestuurder 1], afgetreden. In verband hiermee heeft de algemene vergadering ermee ingestemd om de directievoering over Imeko vooralsnog over te laten aan de raad van commissarissen.
4. De kilometervergoeding voor zakelijk verreden kilometers wordt vastgesteld op
€ 0,45 per kilometer ex. BTW.’
1 september 2003 afgetreden als commissaris en per die datum benoemd tot statutair bestuurder van Imeko. [lid RvC 1] is per 11 juli 2005 afgetreden als bestuurder en opgevolgd door [bestuurder 2].
€ 501.900,-- (volgens [geïntimeerde])als bestuurs-/managementvergoeding ontvangen, en een bedrag van € 70.970,56 als onkostenvergoeding.
In het geding na verwijzing dient dit verweer alsnog te worden beoordeeld.
voor zover deze redelijk isen dat niet aan deze eis is voldaan, aangezien de declaraties van [geïntimeerde] doelbewust buiten het zicht van (de verantwoordelijke organen van) Imeko zijn gehouden.
€ 240.000,-- per jaar (vergadering van 20 juni 2003). In die zaak is (de hoogte van) de beloning van [lid RvC 1] in zijn hoedanigheid van, en dus na zijn benoeming tot, bestuurder geen onderwerp van geschil geweest, zodat het hof voldoende aannemelijk acht dat Imeko aan [lid RvC 1] in zijn hoedanigheid van bestuurder (in ieder geval) € 240.000,-- per jaar heeft betaald. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat Imeko zich over een periode van veertien maanden de kosten van een bestuurdersvergoeding heeft bespaard. Uitgaande van een beloning van € 240.000,-- op jaarbasis, begroot het hof deze besparing op € 280.000,--. Voor zover Imeko betwist dat [geïntimeerde] in deze periode bestuurswerkzaamheden heeft verricht, gaat het hof daaraan voorbij nu vaststaat dat hij toentertijd met instemming van de algemene vergadering als tijdelijk bestuurder van Imeko is opgetreden en [geïntimeerde] bovendien gemotiveerd heeft gesteld welke bestuurswerkzaamheden hij heeft verricht.
Hetzelfde geldt voor mij, ik treed af als voorzitter voor de Raad van Commissarissen, volgens mijn rooster, de prioriteit heeft in een niet bindende voordracht voorgesteld, mijzelf herkiesbaar te stellen als voorzitter (…). Maar ook hier geldt hetzelfde voor mij (…) hetzelfde commitment dat voor meneer [lid RvC 1] geldt. Als u tevreden bent over mijn rol vraag ik u mij wederom aan te stellen als voorzitter van de raad van commissarissen.’
waardedie de door [geïntimeerde] verrichte bestuurswerkzaamheden voor Imeko hebben gehad, te schatten aan de hand van de hoeveelheid door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden, voor zover deze niet tot zijn taak als commissaris behoorden, en de objectief vast te stellen beloning voor bestuurswerkzaamheden, een en ander bij gebreke van gegevens over de beloning van een externe opdrachtnemer voor dergelijke werkzaamheden.
- overname/samenwerking Agri-Best;
- jaarrekening Imeko;
- aandeelhoudersvergaderingen;
- contacten met banken en verzekeringsmaatschappijen;
- intellectuele eigendomsrechten;
- joint ventures, buitenlandse deelnemingen en prospects.
Verder is het hof van oordeel dat uit de omstandigheid dat Imeko vanaf 1 september 2003 een bestuurder had, niet kan worden afgeleid dat de werkzaamheden van [geïntimeerde] ‘allesbehalve noodzakelijk’ waren. [geïntimeerde] heeft gesteld dat de bestuurswerkzaamheden te omvangrijk waren voor één bestuurder. Vast staat dat de achtereenvolgende bestuurders van Imeko [geïntimeerde] hebben verzocht zijn werkzaamheden te blijven verrichten. Uit de hiervoor onder 10 geciteerde notulen van de aandeelhoudersvergadering van 11 juli 2005 volgt dat de voorganger van [bestuurder 2], [lid RvC 1], per die datum als commissaris werd benoemd en zich zou blijven inzetten voor Imeko: in het jaar 2006 nog voor 100 dagen per jaar, welk aantal dagen daarna geleidelijk zou worden afgebouwd. Ook [geïntimeerde] zou na de benoeming van [bestuurder 2] dezelfde werkzaamheden voor Imeko blijven verrichten als daarvoor. [geïntimeerde] heeft in dit verband nog verwezen naar de hiervoor onder 10 geciteerde notulen van de aandeelhoudersvergadering van 11 juli 2005 – [bestuurder 2] merkte op dat [geïntimeerde] aanspreekpunt voor de aandeelhouders zou blijven – en naar een verslag van een gesprek tussen hem en [bestuurder 2] op 28 september 2004, waarin [bestuurder 2] heeft aangegeven alleen bestuurder van Imeko te willen worden als [geïntimeerde] nog vijf tot zeven jaar werkzaamheden voor Imeko zou blijven verrichten. De omstandigheid dat het salaris van [bestuurder 2], die al bestuurder was van de werkmaatschappijen IDP en Imtrad en in die hoedanigheid een bestuurderssalaris ontving, na zijn benoeming als bestuurder van Imeko niet werd verhoogd, bezien in samenhang met de onverminderde inzet van [lid RvC 1] en [geïntimeerde] voor Imeko, levert geen steun op voor de stelling dat de bestuurswerkzaamheden van [geïntimeerde] voor Imeko onnodig waren. Deze omstandigheden zijn eerder een aanwijzing dat [bestuurder 2] de bestuurswerkzaamheden voor Imeko (grotendeels) overliet aan de commissarissen. Het hof concludeert hieruit dat [geïntimeerde] zich wel degelijk heeft beziggehouden met bestuurswerkzaamheden en Imeko daarvan ook profijt had.
bestuurstakendie hij in opdracht van de bestuurder van Imeko verrichtte, terwijl hij er ook zelf van uitging dat deze werkzaamheden niet onder zijn taken als commissaris vielen. Een andere rechtvaardiging voor de verrijking van Imeko is niet gesteld of gebleken. Dat [geïntimeerde] wordt verarmd als hij de ontvangen managementvergoedingen aan Imeko moet terugbetalen en dat er een verband is tussen de verrijking en de verarming, is niet in geschil. Hiervoor onder 13 heeft het hof de stelling van Imeko dat [geïntimeerde] zijn declaraties doelbewust buiten het zicht van (de verantwoordelijke organen van) Imeko heeft gehouden verworpen. Dat om die reden niet voldaan is aan de redelijkheidseis van artikel 6:212 lid 1 BW Pro valt dan ook niet in te zien.