Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Arrest d.d. 27 juli 2021
[appellant] ,
Waar deze zaak over gaat
Feiten en procesverloop in eerste aanleg
Procesverloop in hoger beroep
Beoordeling
grieven I en IVbetoogt [appellant] dat deze omvang van de achterstand niet vaststaat.
[appellant] .
mr. Bakhuis sub 13) er op gewezen dat er vele wijzigingen moesten worden doorgevoerd toen [Schoonmaakbedrijf] op 10 april 2015 op één dag veel al lang bij de onderneming bekende informatie heeft aangeleverd over niet eerder aangeleverde dienstverbanden of aangepaste informatie over eerder aangemelde dienstverbanden, die jaren terug gingen, tot het jaar 2013 en 2014, en dat dit tot een forse (extra) naheffing van premiebedragen heeft geleid. [appellant] heeft dit onvoldoende concreet bestreden.
grief IIbetoogt [appellant] dat de betalingsonmacht van [Schoonmaakbedrijf] bekend was en daarom niet (nogmaals) aan het Pensioenfonds moest worden gemeld.
(TK 1999-2000, nr. 3, p. 20) is over de ratio van deze verplichting vermeld:
“is het evident dat de feitelijke wetenschap omtrent de melding betalingsonmacht ver voor die datum dateert”. Er was al een betalingsonmacht in 2012 bekend. Er was ook al een e-mailwisseling op 17 september 2014 over een betalingsregeling voor in 2014 ontstane achterstanden. De oude achterstand per april 2014 is weliswaar vrijwel geheel ingelopen, maar niet geheel. De betalingsonmacht ter zake van de premienota’s waar het hier om gaat (te weten één nota van 13 februari 2014 en verder premienota’s vanaf 28 juni 2014), hoefde dus niet opnieuw te worden gemeld, aldus [appellant] .
“evident [is] dat de feitelijke wetenschap omtrent de melding betalingsonmacht ver voor die datum [hof: 15 mei 2015] dateert”(memorie van grieven sub 27). Dat is niet goed toegelicht.
grieven I en IIIbetoogt [appellant] dat dit niet het geval is.
“zag als een contactpersoon van het schoonmaakbedrijf, een vaste klant, zoals in het verleden ook steeds het geval was”toen hij de voor [broer appellant] nadelige akte passeerde (zie r.o. 1.9). Ook dit wijst op het (mede) bepalen van het beleid door [appellant] en het als zodanig naar buiten toe optreden.
Beslissing
- laat [appellant] toe het bewijs te ontzenuwen dat hij in de periode waarin de achterstand is ontstaan het beleid van [Schoonmaakbedrijf] (mede) heeft bepaald als ware hij bestuurder, in de zin van art. 23 lid 6 onderdeel Pro b Wet Bpf 2000;
- bepaalt dat, indien [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris
- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van alle partijen en de te horen getuigen in de maanden oktober 2021 tot en met februari 2022, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;
- houdt iedere verdere beslissing aan.