ECLI:NL:GHDHA:2021:2645
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Geen rechtsmacht Nederlandse rechter voor meerderjarigenbewind bij verblijf in buitenland
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter die onderbewindstelling van in Nederland gelegen goederen van de rechthebbende had bevolen wegens zijn geestelijke toestand. De rechthebbende woont echter in het Verenigd Koninkrijk en lijdt aan een bipolaire stoornis. Hij stelt dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft omdat hij zijn gewone verblijfplaats in het buitenland heeft.
De verzoekster, ex-partner van de rechthebbende, betoogt dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Haags Volwassenenbeschermingsverdrag 2000 (HVV), vanwege het in Nederland gelegen vermogen. Het hof overweegt uitgebreid dat het HVV anticiperend wordt toegepast, ondanks dat Nederland het verdrag niet heeft geratificeerd. Volgens artikel 5 HVV Pro is de rechter van het land van de gewone verblijfplaats bevoegd, en artikel 9 HVV Pro verleent rechtsmacht aan het situsland alleen indien daar reeds een beschermingsmaatregel is ingesteld.
Omdat in het Verenigd Koninkrijk geen beschermingsmaatregel is genomen, heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht. Het hof vernietigt daarom de beschikking van de kantonrechter en wijst het verzoek af. De grieven over de inhoudelijke noodzaak van de onderbewindstelling behoeven geen behandeling meer. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Nederlandse rechter heeft geen rechtsmacht, de onderbewindstelling wordt vernietigd en het verzoek afgewezen.