ECLI:NL:GHDHA:2021:2881

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
17 oktober 2022
Zaaknummer
200.265.099/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 332 lid 1 RvArt. 332 lid 3 RvArt. 137 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenarrest over appellabiliteit en optelregel bij te laat ingestelde reconventionele vordering

In deze civiele zaak vordert Interbank betaling van een bedrag wegens tekortkoming in een kredietovereenkomst, terwijl [appellante] in reconventie betaling terugvordert wegens onverschuldigde betaling. De kantonrechter heeft [appellante] veroordeeld tot betaling en haar reconventionele vordering afgewezen.

[Appellante] is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen, maar Interbank stelt dat zij niet-ontvankelijk is omdat de reconventionele vordering te laat is ingesteld en daardoor niet meetelt voor de appelgrens. Volgens Interbank is de optelregel van artikel 332 lid 3 Rv Pro niet van toepassing, waardoor de totale vordering onder de appelgrens blijft.

Het hof stelt vast dat [appellante] nog niet op dit verweer heeft kunnen reageren en verwijst de zaak naar de rol voor akte en memorie van antwoord in incidenteel appel. Tevens is de eis van Interbank gewijzigd, wat een incidentele grief inhoudt. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

Uitkomst: De zaak is verwezen naar de rol voor nadere processtukken en verdere beslissing is aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer: 200.265.099/01
Zaaknummer rechtbank: 7152686 CV EXPL 18-5250

Arrest van 2 februari 2021

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],
appellante in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. D.H.P.M. Müskens te Dordrecht,
tegen

Interbank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
hierna te noemen: Interbank,
advocaat: mr. W.E. van Engelenhoven te Ede (Gld).

Het geding

Voor het procesverloop tot 17 september 2019 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum, waarbij een comparitie van partijen is gelast.
De comparitie heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2019. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.
Bij memorie van grieven heeft [appellante] vijf grieven aangevoerd.
Bij memorie van antwoord, tevens houdende wijziging van eis (met producties), heeft Interbank de grieven bestreden en haar eis gewijzigd.
Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In deze zaak heeft Interbank in eerste aanleg gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van € 500. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [appellante] is tekortgeschoten in de nakoming van een tussen [appellante] en Finata Bank N.V., een rechtsvoorganger van Interbank, gesloten kredietovereenkomst. De vordering betrof een deel van het openstaande saldo, onder reservering van het meerdere.
heeft (bij conclusie van dupliek) in reconventie gevorderd Interbank te veroordelen tot betaling van € 2.975,76. Zij heeft hiertoe gesteld dat zij dit bedrag onverschuldigd aan Interbank heeft betaald omdat de kredietovereenkomst nooit tot stand had mogen komen.
Bij vonnis van 18 april 2019 (hierna: het bestreden vonnis) heeft de kantonrechter [appellante] veroordeeld tot betaling van € 500 en het meer of anders gevorderde (derhalve de vordering in reconventie van [appellante],
opmerking hof) afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
2. [appellante] is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Interbank heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [appellante] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. Op dit verweer dient eerst te worden beslist, voordat het hof toekomt aan behandeling van de grieven van [appellante].
3. Aan haar beroep op niet-ontvankelijkheid van [appellante] heeft Interbank ten grondslag gelegd dat de vordering waarover de kantonrechter had te beslissen beneden de appelgrens van € 1.750 ligt (artikel 332 lid 1 Rv Pro). In dit verband heeft Interbank het volgende gesteld. [appellante] heeft haar eis in reconventie niet bij conclusie van antwoord ingesteld, zoals voorgeschreven door artikel 137 Rv Pro., maar bij conclusie van dupliek. Interbank heeft zich bij akte na rolbeslissing op het standpunt gesteld dat de eis in reconventie in strijd met artikel 137 Rv Pro. is ingesteld, en dat [appellante] om die reden daarin niet-ontvankelijk diende te worden verklaard. De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte, in plaats daarvan, de vordering in reconventie afgewezen. Dit is van belang voor de ontvankelijkheid in hoger beroep, omdat de waarde van de vordering in reconventie in dit geval buiten beschouwing moet blijven bij het bepalen van de totale waarde van de vordering en dus van de appellabiliteit. De optelregel van artikel 332 lid 3 Rv Pro., inhoudend dat voor toepassing van artikel 332 lid 1 Rv Pro. beslissend is het totale beloop van de vordering in conventie en de vordering in reconventie, is dus niet van toepassing, aldus Interbank.
4. [appellante] heeft nog niet kunnen reageren op het verweer van Interbank dat zij niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. Alvorens hierover te beslissen, zal het hof haar daartoe in de gelegenheid stellen. Het hof zal de zaak met dit doel naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van [appellante].
5. Interbank heeft bovendien haar vordering in hoger beroep gewijzigd in die zin dat zij thans betaling van € 12.500 vordert. Nu deze eiswijziging strekt tot de verkrijging van een ander dictum in hoger beroep en dus de vernietiging van het bestreden vonnis, houdt deze een grief in incidenteel appel in. [appellante] heeft ook op deze incidentele grief van Interbank nog niet kunnen reageren. De zaak wordt daarom naar de rol verwezen voor memorie van antwoord in incidenteel appel. [appellante] zal daarbij ook kunnen reageren op de door Interbank bij memorie van antwoord overgelegde producties.
6. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

Het hof:
- verwijst de zaak naar de rol van 16 maart 2021 voor akte aan de zijde van [appellante], tevens memorie van antwoord in het incidenteel appel, met het doel zoals hiervoor onder 4 en 5 overwogen.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, R.J.F. Thiessen en F.R. Salomons en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2021 in aanwezigheid van de griffier.