Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[verweerder 1] ,
[verweerder 2] ,
Gerechtshof Den Haag
Na het overlijden van de erflater zijn de erfgenamen geconfronteerd met een onverwachte belastingschuld voortvloeiend uit een Zwitserse bankrekening die niet was opgenomen in de aangiften. De Belastingdienst stelde navorderingsaanslagen op, waarop de erfgenamen een verzoek tot ontheffing van betaling van deze schuld indienden bij de kantonrechter, die dit verzoek toewijst.
De Staat stelde hoger beroep in tegen deze beschikking met twee grieven: de aanvang van de driemaandentermijn voor het indienen van het verzoek en het vermeende gebrek aan onderzoek door de erfgenamen naar de nalatenschap. Het hof oordeelt dat de termijn pas aanving toen de Belastingdienst op 9 mei 2019 een concrete belastingschuld communiceerde en dat de erfgenamen tijdig hun verzoek indienden.
Verder oordeelt het hof dat de erfgenamen geen tekortkoming kan worden verweten in het onderzoek naar de nalatenschap, gelet op de omstandigheden en het ontbreken van aanwijzingen voor het bestaan van de buitenlandse rekening. De proceskostenveroordeling wordt gehandhaafd, waarbij de erfgenamen de kosten in incidenteel appel dragen. Het hoger beroep van de Staat wordt afgewezen en de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking die de erfgenamen ontheft van betaling van de onverwachte belastingschuld en wijst het hoger beroep van de Staat af.