Belanghebbende, een piloot werkzaam bij een Ierse werkgever met basis in Duitsland, ontving in 2015 een per diem vergoeding voor verblijfskosten buiten de basis. De Inspecteur rekende deze vergoeding bij het fiscale loon, terwijl belanghebbende stelde dat het een onbelaste gerichte vrijstelling betrof. De Rechtbank oordeelde dat de per diem voldoende gespecificeerd was en als gerichte vrijstelling kon gelden, waardoor het fiscale loon lager werd vastgesteld.
In hoger beroep stelde het Hof vast dat hoewel de per diem vergoeding vooraf was aangewezen en gespecificeerd, de werkgever geen onderzoek had gedaan naar de werkelijk gemaakte kosten zoals vereist volgens artikel 31a, lid 3, Wet LB. Het door belanghebbende overgelegde overzicht was te algemeen en bevatte kosten die niet tot de vergoeding behoorden. Hierdoor kon de gerichte vrijstelling niet worden toegepast.
De Inspecteur was bereid een bedrag van € 362 aan maaltijdkosten in aftrek toe te laten. Het Hof vernietigde daarom de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, handhaafde de aanslag en stelde de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek vast op € 86.326. Tevens veroordeelde het Hof de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.