ECLI:NL:GHDHA:2021:590
Gerechtshof Den Haag
- Wraking
- Th.W.H.E. Schmitz
- W.M.G. Visser
- J.W. Frieling
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek in civiele kortgedingprocedure
In een civiele kortgedingprocedure bij het Gerechtshof Den Haag heeft verzoeker een voorwaardelijk wrakingsverzoek gedaan tijdens een pleidooizitting op 22 december 2020 tegen de voorzitter en leden van de wrakingskamer. Vervolgens diende verzoeker een schriftelijk wrakingsverzoek in op 21 januari 2021, dat niet ondertekend was door een advocaat, terwijl in deze zaak verplichte procesvertegenwoordiging geldt.
De wrakingskamer oordeelt dat het schriftelijke verzoek niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van een advocaat als indiener, conform het toepasselijke wrakingsprotocol. Daarnaast werd een nieuw wrakingsverzoek ingediend op 11 februari 2021, dat de wrakingskamer als evident misbruik van recht beschouwt en daarom buiten behandeling laat. Dit verzoek volgde op eerdere wrakingsverzoeken en berustte op eerdere contacten van de voorzitter met verzoeker in een andere procedure en haar nevenfunctie.
De wrakingskamer benadrukt dat eerdere contacten en nevenfuncties niet objectief als vooringenomenheid mogen worden gezien en dat opeenstapeling van wrakingsverzoeken kan leiden tot misbruik van recht. Het voorwaardelijke wrakingsverzoek van 22 december 2020 is nog niet aanhangig bij de wrakingskamer, maar kan bij vervulling van de voorwaarde in de hoofdzaak worden behandeld. De beslissing is genomen door drie raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 15 februari 2021.
Uitkomst: Het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard en een aanvullend wrakingsverzoek wordt buiten behandeling gelaten wegens misbruik van recht.