Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 16 februari 2021
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vader,
Het geding
- bepaalt dat [de minderjarige] voorlopig haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben;
- verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek tot teruggeleiding van [de minderjarige] naar Nederland en de vordering tot afgifte van haar paspoort;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- wijst af het meer of ander gevorderde.
- de voorzieningenrechter heeft geen belangenafweging gemaakt toegespitst op het belang van [de minderjarige] , maar heeft de moeder gestraft voor het feit dat zij zonder toestemming van de vader met [de minderjarige] is vertrokken naar Polen;
- een kortgeding procedure leent zich niet voor het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] ;
- [de minderjarige] heeft er belang bij om niet gescheiden te worden van haar moeder, broertje en de echtgenoot van de moeder;
- er is dagelijks contact tussen de vader en [de minderjarige] (bellen/videobellen);
- [de minderjarige] heeft in Nederland niet kunnen aarden, terwijl zij in Polen in de nabijheid van haar familie gelukkig is en met veel plezier naar de kinderopvang gaat;
- de vader wisselt vaak van baan, heeft geen familie in Nederland en kan [de minderjarige] geen stabiliteit bieden;
- [de minderjarige] wil niet in Nederland wonen en ook niet bij de vader verblijven;
- de moeder heeft [de minderjarige] vanaf haar geboorte verzorgd, bij wie zij altijd haar hoofdverblijf heeft gehad;
- een terugkeer van [de minderjarige] naar Nederland is zeer nadelig voor haar, zodat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder in Polen dient te blijven.