ECLI:NL:GHDHA:2021:883
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteit bij overdracht appartementsrecht binnen familiebedrijven
Belanghebbende, een besloten vennootschap, heeft het appartementsrecht van een winkelruimte gekocht van Vastgoed BV, een andere rechtspersoon binnen de familieholding. Zij betaalde overdrachtsbelasting en stelde bezwaar tegen de heffing op grond van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (artikel 15, lid 1, onderdeel b, Wet BRV).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit alleen geldt voor overdrachten tussen natuurlijke personen die aan bepaalde familieverwantschap voldoen. Rechtspersonen vallen hier niet onder, ook niet als zij binnen dezelfde familieholding opereren.
Belanghebbende voerde aan dat een systeemgerichte, rechtsvormneutrale uitleg van de wet geboden is, waarbij door rechtspersonen heen gekeken moet worden. Het hof verwierp dit en wees op het doel en de strekking van de wet, die gericht is op het faciliteren van overdracht binnen familiesfeer tussen natuurlijke personen.
Daarnaast wees het hof op het tijdsverloop en de splitsing van het pand in appartementsrechten, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de verkrijging van het appartementsrecht onderdeel is van de bedrijfsoverdracht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vrijstelling van overdrachtsbelasting wordt niet toegepast op de verkrijging van het appartementsrecht.