ECLI:NL:GHDHA:2021:884
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat Nederlandse btw-regeling fiscale eenheid geen belemmering vormt voor vrije vestiging
Belanghebbende, een fiscale eenheid binnen een grensoverschrijdend concern, voerde aan dat de Nederlandse btw-heffing over diensten van in andere lidstaten gevestigde groepsmaatschappijen haar recht op vrije vestiging belemmert. Zij stelde dat indien deze groepsmaatschappijen in Nederland gevestigd waren, de btw niet verschuldigd zou zijn geweest vanwege de fiscale eenheid, en dat dit verschil een belemmering vormt.
De Rechtbank en het Gerechtshof oordeelden dat de Nederlandse wetgeving, die artikel 11 van Pro de Btw-richtlijn omzet, correct is en dat de btw-heffing niet in strijd is met artikel 49 VWEU Pro. Het Hof baseerde zich onder meer op het arrest Danske Bank van het HvJ EU, dat territoriale beperkingen aan de fiscale eenheid bevestigt en stelt dat btw-heffing over grensoverschrijdende diensten gerechtvaardigd is.
Het Hof benadrukte dat de btw een uniform Unierechtelijk stelsel is en dat de regeling van de fiscale eenheid een discretionaire uitzondering vormt die niet verder mag worden uitgebreid. Belanghebbendes verzoek om gedeeltelijke buitenwerkingstelling van artikel 11 van Pro de Btw-richtlijn werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de Nederlandse btw-regeling inzake fiscale eenheid geen belemmering vormt voor het recht op vrije vestiging en verklaart het hoger beroep ongegrond.