Conclusie
1.Overzicht
Danske Bank [2] van het Hof van Justitie, waaruit naar het oordeel van het Hof expliciet volgt dat het een lidstaat niet is toegestaan buiten het grondgebied gevestigde personen tot de fiscale eenheid te rekenen. Ten overvloede overweegt het Hof dat het karakter van de btw, de aard van de Btw-richtlijn en de stand van de EU-harmonisatie zich verzetten tegen de uitbreiding die belanghebbende voorstaat. Een dergelijke uitbreiding frustreert ook nog eens de administratieve vereenvoudiging en leidt mogelijk tot concurrentieverstoringen, aldus het Hof.
2.Feiten en geding in feitelijke instanties
Feiten
€ 7.861 van deze verlegde omzetbelasting in aftrek is gebracht.
vice versageen lid kunnen zijn van de Nederlandse fiscale eenheid (belanghebbende). In hoger beroep beperkt het geschil zich tot de vraag of de onderdelen van belanghebbende worden beperkt in hun recht op vrije vestiging van art. 49 VWEU Pro, doordat zij Nederlandse omzetbelasting zijn verschuldigd over de concernkosten.
Danske Bank [9] van het Hof van Justitie. Uit dit arrest volgt expliciet dat het een lidstaat niet is toegestaan buiten het grondgebied gevestigde personen tot een fiscale eenheid te rekenen, aldus het Hof.
3.Het geding in cassatie
Danske Bank. Daarnaast heeft het Hof geen rekening gehouden met de per-elementbenadering. Het middel voert verder aan dat wél sprake is van een beperking van de vrijheid van vestiging in het onderhavige geval. Hiertoe betoogt het onderscheidenlijk dat (i) de onderdelen toegang hebben tot de vrijheid van vestiging, (ii) art. 11 Btw Pro-richtlijn geen uitputtende harmonisatie beoogt [10] , (iii) het belasten van de desbetreffende transactie een beperking van de vrije vestiging vormt en (iv) deze beperking niet wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.
Kaplan: [17]
Norddeutsche Gesellschaft für Diakonie [19] en
Finanzamt T [20] enige twijfel bestaat over de verschuldigdheid van btw ter zake van ‘interne transacties’. Voor het Bundesfinanzhof, de verwijzende rechter in
Finanzamt T,is dit zelfs reden geweest een (tweede) prejudiciële vraag te richten aan het Hof van Justitie. [21] De twijfel van de verwijzende rechter houdt verband met de overwegingen van het Hof van Justitie in voornoemde arresten dat opname in een fiscale eenheid geen afbreuk doet aan de zelfstandige economische activiteiten van de betrokken onderdelen. Ik meen dat de overwegingen van het Hof van Justitie in die arresten niet zo ruim moeten worden uitgelegd dat ter zake van interne transacties btw moet worden geheven. Ik lees dit uitgangspunt overigens ook elders in dezelfde uitspraken terug. [22] Een diepgaande discussie over dit onderwerp gaat te ver in dit verband. Ik volsta daarom met een verwijzing naar de annotatie van Van der Wulp [23] bij
Norddeutsche Gesellschaft für Diakonieen een artikel van Sparidis en Wu [24] .
Danske Bankis niet geheel duidelijk of dit is toegestaan. De territoriale begrenzing van de Nederlandse regeling is op dit moment dus mogelijk ruimer dan de richtlijn toestaat. Dit was aanleiding voor de staatssecretaris van Financiën om met ingang van 1 januari 2024 het besluit
Omzetbelasting. Vaste inrichtingaan te passen. [28] Vanaf deze datum is het volgens de staatssecretaris niet meer mogelijk het buitenlandse hoofdhuis op te nemen in de fiscale eenheid.
5.Uitputtende harmonisatie
Art. 11 Btw Pro-richtlijn
Danske Bank [31] . In dit arrest geeft het Hof van Justitie uitleg aan begrippen in art. 9(1) en art. 11 Btw Pro-richtlijn. Met belanghebbende ben ik het eens dat het arrest
Danske Bankgeen antwoord geeft op de hier in geschil zijnde vraag. Het Hof van Justitie behandelt in dat arrest niet de vraag of de laatstgenoemde bepaling strookt met artikel 49 VWEU Pro. De toetsing aan art. 49 VWEU Pro of een van de andere fundamentele vrijheden was in
Danske Bankniet aan de orde. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
Groupe Steria. In die zaak stond de vraag centraal of een Franse regeling verenigbaar is met de vrijheid van vestiging. Ook vallen in deze categorie de arresten
Euro Park Service [32] en
Eqiom [33] . Volgens deze arresten is het voor de toetsing van een nationale maatregel aan primair recht nodig te onderzoeken of de nationale regeling een materie bevat die uitputtend is geharmoniseerd. Als sprake is van een uitputtend geharmoniseerde materie, dan moet de nationale bepaling aan de bepalingen van die harmonisatieregeling (het secundaire recht) worden getoetst en niet aan die van het primaire recht. [34]
Parfümerie-Fabrik 4711/Provide [35] :
uitputtendeharmonisatie. Zo overweegt het Hof in
Deutscher Apothekerverband [36] :
Radlberger [39] van het Hof van Justitie. De betreffende overweging van het Hof luidt als volgt:
Orde van Vlaamse Balies e.a. [41] art. 8 bis Pro ter(5) van gewijzigde richtlijn 2011/16 aan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. [42] De betreffende bepaling uit de richtlijn luidt als volgt:
Gaz de France [44] , waarin het Hof van Justitie art. 2, sub a, in samenhang met de bijlage, sub f, van richtlijn 90/435 toetst aan de vrijheid van vestiging en de vrijheid van kapitaalverkeer. Deze bepalingen geven een opsomming van de vennootschapsvormen die binnen de reikwijdte van de moeder-dochterrichtlijn vallen. Hoewel dat niet expliciet wordt benoemd in dit arrest, volgt uit latere jurisprudentie van het Hof van Justitie dat deze lijst uitputtend is. [45] Uit
Gaz de Francemaak ik aldus op dat het Hof van Justitie een uitputtende bepaling van secundair Unierecht aan het primaire Unierecht toetst.
Eurodental [47] overweegt het Hof van Justitie in dit verband als volgt:
51 Zo is deze voorgenomen harmonisatie nog niet verwezenlijkt in zoverre de Zesde richtlijn in artikel 28, lid 3, sub a, de lidstaten heeft toegestaan, sommige van de vóór die richtlijn daterende bepalingen van nationaal recht te blijven toepassen die zonder die toestemming onverenigbaar met deze richtlijn zouden zijn (zie in die zin arrest van 13 juli 2000, Idéal tourisme, C36/99, Jurispr. blz. I6049, punt 38).”
Schmelztoetst het Hof van Justitie de (toentertijd geldende) bijzondere regeling voor kleine ondernemers uit de btw-richtlijn aan de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting. Deze regeling bood de lidstaten de mogelijkheid een vrijstelling of degressieve belastingvermindering toe te passen op kleine ondernemingen. Hoewel de regeling als geheel een keuzemogelijkheid was voor de lidstaten, werden diensten verricht door niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen dwingend uitgesloten van de regeling op grond van de Btw-richtlijn.
Schmelzbetreft het hier een dwingende voorwaarde die de richtlijn voorschrijft voor een facultatieve regeling. Naar analogie van de beslissing in dit arrest concludeer ik dat toetsing van art. 11 Btw Pro-richtlijn aan het primaire Unierecht in dit geval mogelijk is.
6.Inbreuk op vrijheid van vestiging
Amurta [79] oordeelt dat deze doelstelling op zichzelf geen beperking van een verdragsvrijheid kan rechtvaardigen. Er zijn mij ook geen zaken bekend waarin het Hof van Justitie deze doelstelling erkent, ook niet in combinatie met een andere rechtvaardigingsgrond. Zodoende acht ik de administratieve vereenvoudiging geen dwingende reden van algemeen belang.
Kaplan. [82] De Staatssecretaris wijst – voor zover nog niet elders genoemd – op: het voorkomen van verstoring van de mededinging, de samenhang van de nationale invulling van de fiscale eenheid en het gevaar dat verschillende belastingdiensten tegenstrijdige beslissingen nemen.
Evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden
centrale bestuurstaken(art. 10 Btw Pro-uitvoeringsverordening) van een afzonderlijke vennootschap worden uitgeoefend in Nederland, terwijl de bestuurstaken van de fiscale eenheid als geheel (bijvoorbeeld via een tophoudster) in Duitsland worden uitgeoefend. Een hoofdregeldienst verricht aan de dochter zou belast zijn in Nederland, maar door opname in een grensoverschrijdende fiscale eenheid verplaatst de plaats van dienst naar Duitsland.
De bestrijding van misbruik
gevormd. Daarmee is niet gezegd dat vervolgens de beperking van die vorming tot het grondgebied van één lidstaat eveneens tot doel heeft misbruik te voorkomen. Het tegenovergestelde zou immers kunnen worden betoogd. Een grensoverschrijdende toepassing van de fiscale eenheid zou juist kunnen bijdragen aan het voorkomen van misbruik zoals art. 11 Btw Pro-richtlijn voorstaat.
alle maatregelente treffen die in dit kader noodzakelijk zijn, waardoor reeds twijfel kan bestaan of de Uniewetgever de territoriale beperking in de richtlijnbepaling zelf ook heeft bedoeld als anti-misbruikmaatregel.
territoriale beperkingtot doel heeft specifieke kunstmatige constructies te bestrijden die geen enkel verband houden met de economische realiteit. Het feit dat rechtspersonen in andere lidstaten op algemene wijze worden uitgesloten, zonder dat duidelijk is welke specifieke kunstmatige gedragingen worden voorkomen, maakt het naar mijn mening niet mogelijk misbruikbestrijding als rechtvaardigingsgrond voor de beperking van een verdragsvrijheid op te voeren. [107] Een algemeen vermoeden van fraude en misbruik kan in dit verband immers geen rechtvaardiging bieden. [108]
De samenhang van het belastingstelsel
Bachmann [117] en
Commissie/België [118] ,waarin de aftrek van verzekeringspremies centraal staat. Volgens de Belgische wet – althans ten tijde van de arresten – zijn bijdragen van verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood fiscaal aftrekbaar, maar alleen wanneer de bijdragen worden gestort bij Belgische verzekeringsmaatschappijen. Dit hangt samen met het feit dat de uiteindelijke uitkeringen door deze verzekeringsmaatschappijen belast zijn. België hoefde geen aftrek toe te staan voor premiebijdragen in andere lidstaten, aangezien de uiteindelijke uitkeringen door buitenlandse verzekeringsmaatschappijen volgens de Belgische wet waren vrijgesteld. Zodoende bestaat volgens het Hof van Justitie een verband tussen de aftrekbaarheid van de premies en de belastbaarheid van de uitkeringen. [119] Het weigeren van aftrek voor buitenlandse premies kon aldus worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de samenhang van het belastingstelsel te verzekeren. [120]
Te denken valt in dit verband aan een Nederlandse verzekeringsmaatschappij die een dochteronderneming in België vestigt, alwaar een computercentrum wordt geëxploiteerd. De dochteronderneming werkt uitsluitend voor de Nederlandse maatschappij. Ook overigens is aan de eisen van een fiscale eenheid voldaan. Als er geen geografische beperking wordt gesteld aan de fiscale eenheid, zijn de prestaties van de dochter aan de Nederlandse moeder niet belastbaar. In België, waar geen rekening wordt gehouden met een fiscale eenheid, kan geen omzetbelasting worden geheven, omdat de plaats van de dienst van de dochter ingevolge artikel 9, lid 2, onder d, van de Zesde richtlijn in Nederland ligt. Bij aankoop van een computer in België kan de voorbelasting in aftrek worden gebracht aangezien de dochter naar Belgisch recht, bij gebreke van een fiscale eenheid, belaste prestaties verricht. Aldus wordt bereikt dat de voorbelasting in aftrek kan worden gebracht, terwijl de uitgaande (verzekerings)prestaties vrijgesteld zijn.”
Danske Bank [123] overweegt het Hof van Justitie hierover het volgende:
maar dat het bestaan van een btw-groep in die lidstaat niettemin in voorkomend geval in aanmerking moet worden genomen bij de belastingheffing in andere lidstaten, onder meer wanneer deze lidstaten de fiscale verplichtingen van een op hun grondgebied gevestigd filiaal beoordelen.” (cursivering CE)
Danske Banktot gevolg zou kunnen hebben dat deze rechtvaardiging niet geschikt is. Toepassing van de erkenningsvoorwaarde in grensoverschrijdende situaties leidt echter tot een andere complicatie. Op deze complicatie en de verhouding met de samenhang van het belastingstelsel ga ik hierna uitgebreid in (vanaf 6.77).
De doeltreffendheid van fiscale controles
Schmelz. [137] Zoals ik eerder in deze conclusie schreef, is de regeling die aan de orde is in
Schmelzvergelijkbaar met die in de onderhavige zaak, in die zin dat sprake is van een dwingende voorwaarde voor een facultatieve regeling uit de Btw-richtlijn, welke voorwaarde de verkeersvrijheden beperkt. [138] Het Hof van Justitie accepteert de doeltreffendheid van fiscale controles als een rechtvaardigingsgrond in
Schmelz. Niettemin wijkt die zaak op het punt van deze rechtvaardigingsgrond af van de onderhavige zaak. In
Schmelzging het om de btw-regeling voor kleine ondernemers. Deze regeling beoogt bepaalde ondernemers vrij te stellen van fiscale administratieve formaliteiten met het oog op het verlichten van administratieve lasten. Zodoende hoefde de ondernemer in die zaak geen administratie bij te houden, zodat het voor andere lidstaten ook niet mogelijk was deze gegevens op te vragen voor toepassing van de fiscale regeling op hun eigen grondgebied. Daardoor was het volgens het Hof van Justitie gerechtvaardigd om de regeling voor kleine ondernemers te beperken tot het grondgebied van één lidstaat in verband met de doeltreffendheid van fiscale controles. Aangezien een fiscale eenheid wel administratieve verplichtingen kent en deze gegevens hieromtrent kunnen worden opgevraagd door belastingautoriteiten, meen ik dat de zaak
Schmelzgeen afbreuk doet aan de eerdere conclusie dat de doeltreffendheid van fiscale controles in de onderhavige zaak geen rechtvaardiging kan bieden.
Verstoring van de mededinging
Essent e.a. [139] overweegt het Hof van Justitie het volgende over consumentenbescherming:
De Clercq e.a. [140] :
Commissie/Spanje [143] (cursivering CE)
:
95 Daarentegen moet worden vastgesteld dat de uit artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Ley 7/1996 voortvloeiende en met het tweede onderdeel van deze grief aan de orde gestelde verplichting om voor de afgifte van een dergelijke vergunning rekening te houden met de aanwezigheid van commerciële voorzieningen in het betrokken gebied en het effect van een nieuwe vestiging op de commerciële structuur van dat gebied,
betrekking heeft op de gevolgen voor de bestaande handel en de structuur van de markt, en niet op consumentenbescherming.
Commissie/Portugaldat de versterking van de mededingingsstructuur van een betrokken markt een zuivere economische doelstelling is die geen beperking van de verdragsvrijheid kan rechtvaardigen. [144] Een ander voorbeeld betreft
ANETT [145] waarin het Hof van Justitie het volgende overweegt (cursiveringen CE):
buitensporig concurrentievoordeelzou opleveren.
Een dergelijke overweging is immers louter economisch.Volgens vaste rechtspraak kunnen redenen van zuiver economische aard geen dwingende redenen van algemeen belang vormen die een beperking van een door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheid rechtvaardigen (zie arresten van 13 januari 2000, TKHeimdienst, C254/98, Jurispr. blz. I151, punt 33, en 17 maart 2005, Kranemann, C109/04, Jurispr. blz. I2421, punt 34).”
Wolff & Müller [146] . Het Hof overweegt hier voor zover van belang:
Anton van Zantbeek [148] overweegt het:
Duitsland/Parlement en Raaddat de gemeenschapswetgever met het voorkomen van marktverstoringen een rechtmatig doel nastreefde, dat een beperking van de verkeersvrijheden kon rechtvaardigen. [150] A-G Jääskinen merkt over dit arrest op – mijns inziens terecht – dat een dergelijke doelstelling in een vergelijkbare nationale situatie nooit zou kunnen worden aangevoerd als rechtvaardiging, vanwege de zuiver economische aard. [151]
Danske Bank [156] overweegt het Hof van Justitie immers het volgende:
a fortioriook ontbreekt in de vergelijking tussen een transactie tussen onderdelen van dezelfde fiscale eenheid enerzijds en een transactie tussen twee onafhankelijke derden anderzijds. Van een gevaar van verstoring van de mededingingsneutraliteit kan dan strikt gezien geen sprake meer zijn.
De samenhang van nationale implementaties
Bachmannlijkt mij in dit verband niet helemaal zuiver. Hoewel het Hof van Justitie in dat arrest de samenhang van het belastingstelsel accepteert als rechtvaardigingsgrond, vereist het eveneens een rechtstreeks verband tussen een fiscaal voordeel en de opheffing van dit voordeel door een latere heffing. [159] Binnen de context van verschillende invullingen van de verwevenheidsvereisten zijn deze aspecten niet van belang, zodat de ‘samenhang’ die de Staatssecretaris voorstaat niet overeenkomt met de samenhang die het Hof van Justitie in
Bachmannals rechtvaardigingsgrond accepteert. In plaats daarvan meen ik dat de nadruk moet worden gelegd op de verstoringen die kunnen worden veroorzaakt door afwijkende nationale invullingen. [160] In het verlengde daarvan ligt ook het gevaar dat nationale belastingdiensten tegenstrijdige beslissingen nemen. [161]
eigen belastbareprestaties in een later stadium. [164] De prestaties verricht door de moeder aan de dochter ‘verdwijnen’ immers voor btw-doeleinden overeenkomstig de Nederlandse wet. De samenhang tussen aftrek en heffing die ten grondslag ligt aan het btw-stelsel wordt hiermee doorbroken.
Danske Bankzo zou kunnen worden geïnterpreteerd dat het de samenhang van het belastingstelsel in grensoverschrijdende situaties waarborgt, zodat deze samenhang mogelijk geen geschikte rechtvaardiging biedt voor een territoriale begrenzing van de fiscale eenheid. Deze uitleg zou echter wederom tot gevolg hebben dat Duitsland een grensoverschrijdende fiscale eenheid moet erkennen op Duits grondgebied, overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat en in strijd met de eigen nationale wetgeving. Dit levert opnieuw een inbreuk van de fiscale soevereiniteit op.
7.Per-element benadering
niettoe dat de Duitse concernvennootschappen moeten worden opgenomen in de Nederlandse fiscale eenheid. In plaats daarvan betoogt belanghebbende dat slechts een bepaald voordeel van de fiscale eenheid grensoverschrijdende werking dient te hebben. Concreet meent belanghebbende dat de doorbelasting van concernkosten buiten de Nederlandse btw-heffing dienen te blijven, aangezien de desbetreffende diensten, indien zij waren verricht door in Nederland gevestigde vennootschappen die onderdeel konden zijn van dezelfde Nederlandse fiscale eenheid, ook onbelast zouden zijn geweest.
X Holding [172] oordeelt het Hof van Justitie dat de verkeersvrijheden zich niet verzetten tegen de territoriale begrenzing van de Nederlandse fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting. Dit houdt verband met de omstandigheid dat de mogelijkheid tot verliesverrekening binnen een fiscale eenheid een gevaar vormt voor de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheden wanneer de fiscale eenheid grensoverschrijdend toepassing zou vinden. Vervolgens oordeelt het Hof van Justitie in 2014 dat het bestaan van een tussenhoudster in een andere EU-lidstaat er niet aan in de weg staat dat de overige, in Nederland gevestigde onderdelen van het concern samen een fiscale eenheid vormen. [173] Hiermee leek de discussie over de grensoverschrijdende werking van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting min of meer te zijn afgerond. [174] Enige tijd later oordeelt het Hof van Justitie in
Groupe Steria [175] echter dat, hoewel de uitsluiting van een buitenlandse dochter uit een fiscale eenheid gerechtvaardigd is vanwege het risico op verliesoverdracht, desondanks voor andere voordelen van de fiscale eenheid afzonderlijk moet worden beoordeeld of een lidstaat die voordelen kan uitsluiten in grensoverschrijdende situaties. Hiermee creëert het Hof van Justitie de per-elementbenadering. Uiteindelijk past het Hof van Justitie deze benadering ook toe op het Nederlandse fiscale-eenheidsregime. Het Hof oordeelt in de zaak
X [176] dat Nederland een specifiek voordeel van de fiscale eenheid – in dit geval het toestaan van renteaftrek ten aanzien van een kapitaalstorting in een dochtervennootschap – moet uitbreiden naar grensoverschrijdende situaties.
als geheelwordt gerechtvaardigd, zoals ik in onderdeel 6 betoog. Dit blijkt ook uit Nederlandse jurisprudentie. Ik verwijs naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam, waarin het overweegt dat het buiten aanmerking laten van onderlinge vorderingen en schulden een gevolg is dat specifiek is verbonden met de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting, en dat dit voordeel ‘
door de zogenoemde per-elementbenadering wordt gerespecteerd.’ [179] De Hoge Raad oordeelt dat het gerechtshof op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven. [180]
8.Beoordeling van het middel
Het middel
Danske Bank. Het Hof oordeelt dat uit dit arrest volgt dat het Hof van Justitie expliciet overweegt dat het een lidstaat niet is toegestaan buiten het eigen grondgebied gevestigde personen tot een fiscale eenheid te rekenen.
Danske Bank, zodat het Hof in de bestreden uitspraak uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting door te volstaan met een verwijzing naar dit arrest. In plaats daarvan had het Hof mijns inziens moeten toetsen aan het stappenplan uit 6.2 van deze conclusie. Voor zover het Hof dit wel heeft bedoeld te doen, is het oordeel in de punten 6.3 en 6.4 van de bestreden uitspraak onvoldoende gemotiveerd. Het middel wordt in zoverre terecht voorgesteld.
in casuniet zo evident is dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de vraag of de heffing van omzetbelasting over de doorbelasting van concernkosten gerechtvaardigd is. Belanghebbende verwijst in dit kader naar het arrest
Consorzio Italian Management [182] , welk arrest uitleg geeft over de welbekende
CILFIT-criteria [183] . Ambtshalve merk ik op dat ‘het gevaar van uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie’ een omstandigheid is die in aanmerking moet worden genomen bij het toepassen van de
CILFIT-criteria. [184] Dat de onderhavige problematiek ook in België speelt, lijkt mij binnen dit kader een relevante omstandigheid. Al met al meen ik dat belanghebbende hiermee aanvoert dat de Hoge Raad in de onderhavige zaak gehouden is prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van art. 49 VWEU Pro.
uitlegvan art. 49 VWEU Pro, maar de vraag over de
geldigheidvan art. 11 Btw Pro-richtlijn.
uitlegen de
geldigheidis als volgt relevant. De
CILFIT-criteria waarop belanghebbende zich beroept gaan over de vraag wanneer een nationale rechter zich over de uitleg van het Unierecht moet wenden tot het Hof van Justitie. Deze criteria zijn niet een-op-een toepasbaar op vragen die opkomen over de geldigheid van handelingen van de instellingen van de Unie. [185] Of de nationale rechter prejudiciële vragen moet stellen over de geldigheid van deze handelingen moet worden beoordeeld op basis van de criteria uit
Foto-Frost [186] en de nadien gewezen jurisprudentie.